Algemeen

titus brandsma instituut > algemeen > actuele informatie
 
 

4 Mei lezing 2007 door Kees Waaijman

 

Overweging, uitgesproken tijdens de herdenkingsdienst in de St. Stevenskerk te Nijmegen op 4 mei 2007 door Prof. Dr. Kees Waaijman, directeur Titus Brandsma Instituut.

 

Zeer geachte meneer de burgemeester, zeer geacht college, dames en heren,

In 1931 hield Titus Brandsma een toespraak voor de vredesbeweging. Die toespraak is nog steeds actueel. Vooral vandaag, nu wij allen herdenken die in de oorlogen van de twintigste eeuw zijn omgekomen, en in het bijzonder de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Titus Brandsma was één van hen. Hij leefde voor de vrede, maar stierf door de oorlog. Hij vocht voor de vrijheid, maar werd opgesloten in een concentratiekamp. Hij streed voor de vrijheid, maar hem werd de mond gesnoerd in Dachau. Hij verzette zich tegen het gif van het antisemitisme, maar hij bezweek aan een dodelijke injectie.

Hoe keek Titus Brandsma aan tegen oorlog en vrede? Om meteen maar met de deur in huis te vallen: de oorzaak van de oorlog ligt bij onszelf, in de maatschappij. Niet de politici en de militairen zijn schuldig, maar wijzelf, de samenleving. 'Als wij de feiten goed bezien, dan moeten wij tot de erkenning komen, dat wij allen, in en door de maatschappij waarin wij leven, de oorlog hebben bevorderd en zo schuldig aan haar staan'. Titus Brandsma spreekt onomwonden wij zijn schuldig: 'Ja, ik spreek van schuld, de schuld van allen aan de oorlog'. Maar hoe kan een samenleving nu schuldig zijn? Hoe kan een maatschappij verantwoordelijk worden gesteld? Hoe kunnen wíj de oorzaak zijn van een oorlog? Voor Titus Brandsma is dat heel inzichtelijk. Als een samenleving gebouwd is op keiharde concurrentie, op discriminatie en vreemdelingenhaat op het recht van de sterkste, dan zijn daarmee de kiemen gezaaid voor de oorlog. Een oorlogszuchtige mentaliteit maakt de oorlog maatschappelijk aanvaardbaar. Met de woorden van Titus Brandsma: 'Ik durf vrij verklaren, dat de oorlog voor een zeer groot deel is toe te schrijven aan het laten gelden van het machtsbeginsel. De hele maatschappij is op strijd ingesteld, en zou men menen dat bij zo'n mentaliteit de felste en meeste brute vorm van een oorlog zou kunnen worden vermeden, als de omstandigheden daartoe prikkelen'? Oorlog is het product van een mentaliteit. Politici en militairen zijn slechts handlangers. Het vraagstuk van oorlog en vrede moet daarom bij de wortel worden aangepakt: bij de mentaliteit die een maatschappij beheerst, bij de spiritualiteit die een samenleving bezielt. Titus Brandsma maakt op dit punt glashelder onderscheid tussen solidariteit en eigenbelang. Solidariteit brengt vrede voort; eigenbelang baart oorlog.

Maar wat is dat, een solidaire maatschappij? Een solidaire samenleving, aldus Titus Brandsma, verstaat zichzelf 'als middel om elkaar diensten te bewijzen en door uitwisseling van diensten gezamenlijk vooruit te komen. Laten wij ons niet al te egocentrisch opsluiten in onszelf en ons blindstaren op het louter eigenbelang, maar beseffen dat we tot roeping hebben en daarin een groot geluk voor ons bestaat, dat wij anderen gelukkig kunnen maken'. Elkaar gelukkig maken, is dat geen wereldvreemde prietpraat? Staat Titus Brandsma wel met beide benen op de grond? Het ligt er maar aan hoe je kijkt. Wie de vrede als einddoel wil, zal met solidariteit moeten beginnen: elkaar zien staan, elkaar het licht in de ogen gunnen. Als 50 miljoen doden in de Tweede Wereldoorlog je niet onberoerd laten, als de gruwelijke oorlogen in Azië, Afrika en het Midden-Oosten meer zijn dan versleten tv-beelden, dan zijn liefde, dienstverlening en solidariteit ijzersterke beginselen voor een duurzame vrede. Dan zijn bikkelharde concurrentie, vreemdelingenhaat, ethnocentrisme en het recht van de sterkste geen onschuldige akkefietjes meer. Ze zijn bloedgevaarlijk. Terecht stelt Brandsma: 'De eigenliefde en de hebzucht zijn de grote kwalen van deze tijd en de diepste oorzaken van de oorlog. Daartegen moeten wij stelling nemen. Dan alleen kunnen wij vruchtbaar vredeswerk verrichten'. Reeds in 1931, niet pas in 1940, ging Titus in het verzet: hij verzette zich principieel tegen de oorlog. Ook al werd hij uitgelachen, want de publieke opinie was in die dagen oorlogszuchtig. Maar Brandsma schaamt zich niet, hij zegt: 'Men verkondigt openlijk, dat men in de maatschappij met beginselen van vrede en liefde niets begint, dat men in de strijd om het bestaan sterk moet zijn en zich steeds sterker moet maken, omdat de macht van de sterkste het recht schept'. Ook intellectuelen lachen om het vredeswerk: 'Ik heb zelfs hoogst ernstige hooggeleerde en oprecht christelijke personen horen waarschuwen tegen de huidige vredesactie met een beroep op de geschiedenis, die nu eenmaal klaar en duidelijk zou leren, dat slechts een volk dat weet te vechten, van een tijdperk van bloei en vooruitgang in zijn geschiedenis kan spreken. Het dient tot niets, zegt men, de ware aard van de menselijke natuur te miskennen en daarmee de maatschappij ten prooi te laten aan de slechtste elementen welke zij bevat'. En die 'slechtste elementen' zijn zoals altijd: de allochtonen, de andersdenkenden, de gehandicapten en de zwakkeren.

Maar hoe kan een oorlogzuchtige mentaliteit worden gekeerd? Hoe kan een tsunami van geweld worden voorkomen? Ik hoor Titus Brandsma drie dingen zeggen. Op de allereerste plaats: vrede is een kwestie van spiritualiteit. Het is een geesteshouding. Titus zegt: 'Wil men de oorlog voorkomen, dan zal het nodig zijn dat de maatschappij zich anders instelt. Er moet een gezondere geest komen in het maatschappelijk leven, gedacht worden aan een meer positieve vredesinstelling in het maatschappelijk leven en daardoor de oorlog in de kiem te smoren'. Ten tweede: spiritualiteit is inzicht. Daarom vraagt Brandsma zich af: 'Willen wij niet teveel aan de maatschappij vrede schenken zonder dat wij er ons druk over maken, die maatschappij van inzicht te doen veranderen, dat zij die vrede ook kan aannemen en waarderen'. Vrede is inzicht: doorhebben hoe de oorlog werkt en wegen vinden om die machinerie te ontregelen. Vrede is geen bevlogenheid, maar helderheid van geest. Ten derde: nodig zijn profeten. Profeten die ons wakker schudden en wakker houden. Titus Brandsma weet van hun bestaan: 'In alle tijden en bij alle volkeren kennen wij die herauten, die apostelen van de vrede. En ook in onze tijd ontbreken zij niet, gelukkig'.

Damen en heren, Titus Brandsma was zélf zo'n vredesapostel. Tegen het heersende doemdenken in kwam hij op voor de vrede. Koppig als hij was zei hij: 'Juist het feit dat alom aan de vrede wordt gewanhoopt, dwingt mij, des te luider de vredesboodschap af te kondigen'. Zijn stem klinkt tot op vandaag krachtig en compromisloos. Speciaal in Nijmegen, aan het Keizer Karel Plein nog wel, in het hart van Nijmegen. Daar ligt een plek waar dagelijks wordt gewerkt in zijn geest: het Titus Brandsma Memorial. Daar blijft de stem van de deze grootste Nijmegenaar aller tijden klinken. Daar zal de World Peace Flame branden. Daar zal zijn geestkracht velen blijven bezielen. Wie de toekomst wil, zal het verleden moeten gedenken. Wie de vrijheid wil, moet aan de vrede werken. Wie geen oorlog wil, moet durven staan voor vrede en vrijheid.

Ik dank u voor uw aandacht.