Home » Archieven voor Ilja Kramer

Auteur: Ilja Kramer

De R van Romeinse liefde / Caritas romana

Veroordeeld tot de hongerdood in een Romeinse gevangenis, blijkt een oude man maar niet aan sterven toe te komen. Dagelijks krijgt hij namelijk bezoek van zijn dochter en die houdt hem in leven met de moedermelk uit haar borst. Tot ze bij het ‘zogen’ door een bewaker wordt verrast. Na beraad zien de autoriteiten echter af van de geijkte reactie die hen beiden het leven zou kosten. Net het tegenovergestelde gebeurt: met groot eerbetoon laten ze de dochter gaan en krijgt de vader zijn vrijheid terug. Meer nog: tot het einde van zijn dagen belooft de stad Rome in te zullen staan voor zijn dagelijks voedsel. Zo erg zijn de Romeinse autoriteiten onder de indruk van deze onbaatzuchtige liefde.

Caritas Romana, Pompei, 1ste eeuw

Dit is niet het christelijke, alswel het onversneden heidense verhaal van Cimon en zijn dochter Pero, zoals te lezen valt bij Valerius Maximus in zijn Facta et dicta memorabilia (Gedenkwaardige daden en uitspraken, eerste eeuw van onze tijdrekening). De titel die het verhaal heeft meegekregen, ‘Caritas romana’, ‘Romeinse liefde’, is een latere toevoeging, hoogstwaarschijnlijk van christelijke signatuur. In de ogen van de Romeinen staat Pero’s daad model voor een uitzonderlijk geval van ‘piëteit’, pietas: van respect voor en toewijding aan de in de goden verankerde orde. Het is meer bepaald een voorbeeld van familie-pietas. De elementaire verwantschapsrelaties dienen te allen tijde gerespecteerd te worden, ook al moet je daarbij de heersende maatschappelijke wetten overtreden.

Bij Valerius Maximus wordt het verhaal van Cimon en Pero voorafgegaan door een ander, gelijkaardig verhaal, dit keer over een gevangengenomen moeder die borstvoeding krijgt van haar dochter. “Waar dringt het plichtsbesef niet overal in door?”, vraagt Valerius zich retorisch af. Zelfs in de gevangenis is familievroomheid present. En Valerius zet zijn argument vervolgens kracht bij door op de proppen te komen met het verhaal van Cimon en Pero. Cimon had zijn vader illegaal begraven en werd daarom veroordeeld door de hongerdood. Pero geeft illegaal borstvoeding aan haar vader, niet bang voor het doodvonnis dat haar wacht. De familievroomheid van de vader zet zich door in die van zijn dochter.

  Charles Mellin, Caritas Romana, 17de eeuw
Naar Carlo Cagnini, Caritas Romana, 18de eeuw

In de zeventiende eeuw werden schilderijen en beeldhouwwerken die Caritas romana als thema namen, erg populair. Ook in de eeuwen daarna hield het succes aan, maar toen werd de dochter vaak vergezeld door haar kind. Was men gevoelig geworden voor de perverse, incestueuze connotaties die men erin ontwaarde? Met een kind op de heup van de moeder, zo kan men denken, werden die ontzenuwd.

Iconografisch heeft het beeld van een oudere man die wordt gevoed met de moedermelk uit de borst van een jongedame ook een christelijke versie, en daar is een erotische connotatie minder gemakkelijk te omzeilen. Het is het beeld van Bernard van Clairvaux die zich tegoed doet aan de melk uit de borst van de Moeder-Maagd.

Er zijn meerdere legendes die Bernardus met die borst in verband brengen. Een ervan doet het verhaal van een visioen dat hem ooit overviel toen hij voor het beeld van Maria aan het bidden was. Het overkwam hem meer bepaald toen hij zich afvroeg of dat gebeeldhouwde stuk hout echt de Moeder van God kon zijn. Op datzelfde moment spoot er een straal melk uit Maria’s borst en kwam tussen de van verbazing openvallende lippen van Bernardus terecht. Met dit gebaar openbaarde de Moeder-Maagd zich als een echte moeder en bevestigde op die manier haar bemiddelende rol – als ‘Maria Middelares’ – tussen haar Zoon en Bernardus.

Een andere versie van de legende laat Maria aan Bernardus verschijnen wanneer hij eens tijdens het gebed in slaap valt. Maria brengt prompt haar borst in Bernardus’ mond om op die manier toch de wijsheid van God bij de slapende bidder naar binnen te brengen.”Lors se mist en oroisons devant Nostre Dame et s’endormi. Et Nostre Dame li mist sa saincte mamelle en la bouche et li aprint la devine science”. Zo lezen we in Ci Nous Dit, een veertiende-eeuws Frans ‘voorbeeldboek’. Iconografisch heeft dit tafereel zijn weg gevonden naar de Nieuwe Wereld, meer bepaald naar Peru. Wel is het tafereel inmiddels van heilige veranderd. Sanctus Bernardus is vervangen door San Pedro Nolasco.

Alonso Cano, Miraculeuze lactatie van de H. Bernardus, 1650
Ignacio Chacón, Lactatie van de H. Pedro Nolasco, 1680

In het verhaal van de Lactatio Bernardi incarneert de goddelijke waarheid zich niet via de geboorte van een kind of een stervend mannelijk lichaam, maar via een melkgevende vrouwenborst. Als beeld van de incarnatie is het erg uitzonderlijk, maar ontbreken in de christelijke traditie doet het niet, zo blijkt.

Het spoort in elk geval met de merkwaardig centrale rol die Maria vervult in het in principe erg mannelijk monotheïstische christendom. Of het christendom daarom een vrouwelijke religie kan genoemd worden – of tot een vrouwelijke religie om te vormen is – is weer een andere vraag.

 

 

Nieuw licht op het TBI: Marga Zwiggelaar

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 3 van een serie introductiegesprekken is het woord aan Marga Zwiggelaar, zuster dominicanes die inmiddels geprofest een studie gaat verrichten aan het Titus Brandsma Instituut. “Probeer te leven zonder een waarom.”

Anderhalf jaar geleden geschiedde een aardverschuiving in het leven van Marga Zwiggelaar, toen 56 jaar, werkzaam in de culturele sector en diep geworteld in het Drents cultureel leven. Marga verruilde Hoogeveen voor Nijmegen en haar burgerbestaan voor een intrede bij de Dominicanessen van de Heilige Familie te Neerbosch in Nijmegen. Een goedlachse Marga verhaalt over haar overstap. “Die is me tot nu toe uitstekend bevallen, al moet je je leven wel afstemmen met je medezusters. Pas waren we met ons vieren aan het wandelen in Drenthe. Zij misten de reuring van de stad, ik genóót van de stilte.”

Inmiddels is Marga op weg naar de grote professie, naar haar hoop te verzilveren over tweeënhalf jaar. Haar wens om weer te studeren vervult ze nu aan het Titus Brandsma Instituut, waar ze voor haar noviciaat vorig jaar al twee cursussen heeft gevold. Studeren is haar niet vreemd – zie haar achtergrond in het HBO en haar studie Algemene Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Haar ambitie is nieuw licht te werpen op twee vrouwelijke denkers in de traditie van de begijnenmystiek, haar vroegere medezusters van ruim zevenhonderd jaar geleden: Mechteld van Magdenburg en Margareta Porete. “Porete was de enige vrouw die vanwege een boek op de brandstapel terecht kwam, in 1310. Dat boek verdient veel meer aandacht.”

De lege ziel
De twee vrouwen werkten in de schaduw van de dominicaanse filosoof en theoloog Meister Eckhart. Marga kan niet om Eckhart heen, maar die man staat volgens haar al meer dan voldoende in de schijnwerpers. “Ik gebruik het werk van Eckhart om deze twee dames een podium te geven.” Van Porete is nauwelijks iets bekend, het boek dat haar fataal werd (Spiegel der eenvoudige zielen) circuleerde eeuwenlang in de anonimiteit en vond pas in 1946 zijn hernieuwde toeschrijving aan Porete. Een Nederlandse vertaling van het in oud-Frans gestelde boek is er tot verdriet van Marga nog steeds niet. “Ik werk met een Engelse vertaling. Mijn hoop is dat ik een Nederlandse vertaling kan afronden.”

Marga ziet Porete als een spiegel voor de hedendaagse, egocentrische cultuur. Haar les: het onder ogen zien van de ziel in jezelf. “Het streven is die uit te wissen, leeg te maken, zo wordt de ziel een open ruimte waarin God in ons geboren kan worden.” Die verbinding met de ziel vereist onbevangenheid, “met open handen het hele leven toetreden”. Marga verwoordt “de ellende” van de benadering van het hedendaagse ‘zelf’: “Dat zit vol met verwachtingen en strevingen, allemaal blokkades op de weg naar stilte, naar een lege ziel. De kunst is te leven zonder een waarom, en onbevangen op zoek te gaan naar een grond waarmee je echt bent verbonden.”

Dwingelerveld

Schrijfster van een Drents oeuvre

“In Drenthe wisten ze me altijd te vinden voor kwesties over de Nedersaksische cultuur. Die ken ik goed, ook als directeur-conservator van het cultuurhistorisch museum van Hoogeveen. Ik schrijf ook gedichten in het Drents, en werk aan een oeuvre met historische misdaadromans. Er wordt in dit genre heel wat gerommeld met de feiten. Daar kan ik niet tegen.”

Marga Zwiggelaar (Hoogeveen, 1963) studeerde HBO Cultureel werk in Kampen en Algemene Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij was werkzaam in de volwasseneneducatie, opbouwwerk en museale werk. Van haar hand verscheen in 2015 (onder het pseudoniem Annije Maria Brans) de dichtbundel Niks is zo hiete as old ies en in 2019 de misdaadroman Maagie in het ies, bekroond met de Streektaalprijs van het Dagblad van het Noorden.

Nieuw licht op het TBI: Zuster Catharina

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 6 van een serie kennismakingsgesprekken is het woord aan zuster Catharina, naamgenoot van haar belangrijkste studieobject aan het instituut: Catharina van Siena, patrones van de orde van Dominicanessen. “Ik wil de rationele kant van het gebed laten zien.”

En ineens viel alles op z’n plek toen zuster Catharina (Beverwijk, 1976) anderhalf jaar terug op het Titus Brandsma Instituut vleugels kon geven aan haar intellectuele belangstelling. Het begon met een cursus, het mondde uit in een vrijwilligersaanstelling van voorlopig maximaal twee jaar, voor nader onderzoek naar Catharina van Siena, haar voorganger en inspiratiebron uit de veertiende eeuw.

De belangstelling voor Catharina van Siena werd gewekt tijdens een verblijf in Rome tijdens haar studie Literatuurwetenschap, toen ze kennismaakte met het boek De Dialoog met God (1377). Zowel persoon als boek werden een levenslange inspiratiebron, zo wijst zuster Catharina op het lef van haar verre voorganger om op de Paus af te stappen om zijn terugkeer vanuit Avignon naar Rome te bewerkstellingen. Daar waren al velen mee bezig geweest, Catharina slaagde. “Ze was een heel krachtige vrouw, die door God werd geroepen tot het goede werk voor de samenleving. ‘Je moet eropuit’, zei God tot haar, en die stem kun je letterlijk nemen. Catharina had een mystieke relatie tot God. ‘Mijn natuur is vuur’, is een van haar uitspraken.”   

Schoonmaken en wortels raspen
Op dertigjarige leeftijd gaf Catharina gehoor aan de in Rome opgewekte roeping, en leefde ze een jaar mee in een contemplatieve kloostergemeenschap nabij München. Naast het bidden was er weinig dat haar kon bekoren. “Ik mocht maar een paar boeken meennemen, werd niet geacht te studeren, mijn taak was vooral om schoon te maken en worteltjes te raspen.” Anderhalf jaar hield ze het vol, maar met een bijzonder resultaat: in de gestolen vroege uurtjes in haar kloostercel (“Ik stond er elke dag een uur eerder voor op”) vertaalde ze De Dialoog in het Nederlands, waarvoor ze na terugkeer in Nederland in 2017 een uitgever vond . Inmiddels zijn we vier drukken en een kleine duizend verkochte exemplaren verder.

Haar studie binnen het instituut gaat zich richten op de geschriften, niet zozeer op de persoon van Catharina, hoewel haar biografie zeer de moeite waard is, als belangrijke heilige bij de Dominicanen, kerklerares én patrones van Europa. De hedendaagse Catharina wil dieper duiken in het oeuvre, dat naast De Dialoog (haar enige boek) 386 brieven en een groot aantal gebeden omvat. “Mijn droom is een nieuwe vertaling, maar dan uit de brontekst, niet zomaar Italiaans, maar een dialect, en dan nog uit de veertiende eeuw.”

De zin van het gebed
In 2019 deed zuster Catharina haar intrede bij de Dominicanessen van Neerbosch en heeft ze haar tijdelijke professie afgelegd. Naast gebed en studie zal Catharina de komende jaren bovendien werk gaan maken van die andere belangrijke pijler van de orde, de verkondiging. Dat kan binnen en buiten het instituut, als catechist in een parochie en in artikelen of mediaoptredens. “Dat moet ik nog uitzoeken, ik weet wel dat deze samenleving baat kan hebben bij de leer van Catharina.” Al als student voelde ze onbehagen bij het postmodernisme en relativisme, de dominante stromingen tijdens haar studiejaren aan de Universiteit van Amsterdam. “Nu zie je die terug in het doorgeschoten individualisme. Ik wil uitdrukking geven aan de kracht van de gemeenschap.”

Als voorbeeld noemt Catharina het gebed dat ze houdt voor een zieke vriendin. Komt zo’n weesgegroetje om de genezing te bespoedigen werkelijk bij God aan en heeft het effect op een spoediger genezing? Heeft bidden eigenlijk wel zin? De veertiende-eeuwse Catharina zegt van wel: “Zij benadrukt de taak van de mens om met onze deugden naar God toe te werken. Dat doe je niet alleen, dat gebeurt in de band met de gemeenschap die ons in staat stelt om via Christus tot God te komen.” Het gebed overstijgt de persoonlijke weerklank van hoop en noden. “Ik wil de rationele kant van het gebed laten zien.”    

“Mijn hobby is met mensen afspreken om bij te praten, iets gezamenlijke te gaan doen of iets te drinken op een terrasje.”

De dialoog

Auteur: Catharina van Siena
ISBN: 97890.6257.037.9
Uitvoering: Zachte kaft
Aantal pagina’s: 269
 

 

 

 

 

Verwijzing naar het boek

Nieuw licht op het TBI: Stefaan Neirynck

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 3 van een nieuwe serie vertelt Stefaan Neirynck over zijn overstap vanuit het klooster naar het Titus Brandsma Instituut. “Van het monnikenleven werd ik niet gelukkig, nu vind ik een andere manier om in de mystieke traditie te staan.”

Na een periode van vier jaar in het benedictijnenklooster Keizersberg in Leuven zette Stefaan een punt achter zijn monnikenleven, vlak voor de plechtige professie. “Toch wel een teleurstelling, maar ik werd er niet gelukkig van. Binnen het TBI kan ik nu de mystieke traditie op een andere manier een deel van mijn leven te maken. Mijn onderzoek is dus óók een vorm van thuiskomen.”

In zijn nu gestarte onderzoek brengt Stefaan al zijn wetenschappelijke passies samen. Hij studeerde in Leuven Klassieke talen én Theologie, en promoveerde op een Byzantijnse monnik uit de twaalfde eeuw. In zijn nieuwe onderzoek zet hij twee personages uit de monastieke tradities naast elkaar: Guerric van Igny meets Symeon de Nieuwe Theoloog, west versus oost, zijn inspiratiebron uit zijn theologiestudies versus een personage uit de wereld van zijn eerdere proefschrift. De intentie is om dichter bij beider levens te komen via hun teksten. “Ik schrijf geen biografieën, de teksten staan centraal, waarmee ik aansluit bij mijn collega’s op het TBI.”

Onbevangen luisteren
Stefaan wijst op een interessante samenloop van beide monastieke figuren: ze stammen uit ongeveer dezelfde tijd, lazen dezelfde auteurs, verkondigden dezelfde evangeliën en lazen dezelfde bijbel. Maar alle gelijkenissen kunnen niet verhinderen dat hun tradities in de loop der tijd ver uit elkaar zijn gelopen. Door politieke, economische en kerkhistorische omstandigheden vertakte de rivier tot twee stromen waarin de spiritualiteit op een geheel andere manier tot uitdrukking kwam. Maar Stefaan richt zijn pijlen op de gelijkenissen, niet op de historisch gegroeide tweespalt. “Ik besef dat de verschillen veel meer zijn dan nuances, maar ik denk aan te kunnen tonen dat het gesprek tussen beide heel goed mogelijk is.”

In het lezen van de teksten uit beider tradities beoogt Stefaan vooral heel goed te luisteren. “Goed luisteren loont altijd de moeite als je verschillen wilt overbruggen.” Dat is te meer relevant, omdat de oosters-christelijke kerken ons steeds minder vreemd zijn. “Die kerken zijn bij ons, de oosterse christenen leven onder ons, zodat een oecumenisch gesprek zinvol wordt. Dat vereist onbevooroordeeld lezen, onbevangen luisteren.” Stefaan houdt van lezen – ook van moderne literatuur – en de studiekamer is zijn favoriete biotoop, maar hij neemt zich voor ook naar buiten te treden, met lezingen, leesgroepen of anderszins. “Het is mooi om anderen te laten genieten van de tradities die binnen dit instituut worden bestudeerd. Hoe we ons ook verhouden tot kerkelijke instituten, die tradities zijn van ons allemaal.”

“Wat ik het meeste mis uit het kloosterleven is de dagelijkse gregoriaanse koorzang, het nadrukkelijk samen beleven dat je in dezelfde traditie staat. Ik hoop gauw weer te kunnen meezingen met een koor – als amateur zing ik ook erg graag polyfonie, vooral meerstemmige vocale muziek uit de 14de-16de eeuw. Ook het meer fysieke aspect van zingen ben ik gaandeweg meer gaan appreciëren, net zoals ik gemerkt heb dat ik wandelen en joggen nodig heb om geestelijk in balans te blijven. Of met open mond naar hedendaagse dans te kijken, misschien juist omdat het niet verbaal en cerebraal is. ”

Stefaan Neirynck (Oostende, 1983) studeerde Klassieke talen in Leuven (2002-2006) en promoveerde er in 2015 op de kritische editie van een Byzantijns monastiek werk uit de 12de eeuw. In Leuven genoot hij bovendien een studie Theologie (2017-2021), naast een monastieke vorming binnen de kloostermuren, die hij toch weer achter zich liet. Sinds juni dit jaar werkt hij als onderzoeker van het Titus Brandsma Instituut. 

  

Tips vrije tijd

  • Umberto Eco, Baudolino (2000). Een spannend avontuur maar ook een boek dat middeleeuwse opvattingen over verhalen vertellen, waarheid en de “juiste” opvattingen goed weergeeft. En ook hier ontmoeten west en oost elkaar in de fictieve Baudolino en de reële Nicetas Choniates (Byzantijns historiograaf).
  • Stefan Hertmans, De bekeerlinge (2016) & De opgang (2020). Telkens een zoektocht naar een figuur uit het resp. verre en meer recente verleden. Beide historische personages komen tot leven doorheen het vertellen van hun verhaal én dat van Hertmans’ speurwerk.
  • Als de bliksem. 900 jaar norbertijnen, Museum Parcum, Abdij van Park, Leuven (4/5-1/8 2021)

https://www.parcum.be/nl/museum/als-de-bliksem.

Prachtig gerestaureerd abdijcomplex vol oud en nieuw leven, van een tewerkstellingsproject in de moestuin over onderzoekers tot een religieuze gemeenschap. De tentoonstelling vertelt de grote en kleine geschiedenis van orde en abdij aan de hand van tal van objecten

  • Byrd (ca. 1540-1623), Ave verum corpus

https://www.youtube.com/watch?v=2LfsHB7E9TA

Polyfonie om mee te zingen. Vooral thuis proberen!

 

Over het onderzoek

Guerric van Igny (ca. 1087?–1157) werd na een carrièrre aan de kathedraalschool van Doornik monnik in het nog jonge Cîteaux en werd algauw tot abt gekozen van het dochterklooster in Igny. Bewaard is een verzameling van 54 toespraken, oorspronkelijk gehouden voor de gemeenschap, waarin hij op een heel eigen manier toch aansluit bij de aandacht voor een meer persoonlijke en affectieve geloofsbeleving, zo typisch voor de vroege cisterciënzers.

Guerric d’Igny, Sermons I & II, ed. J. Morson & H. Costello, Sources Chrétiennes 166 & 202 (Paris, 1970 & 1973).

 

Symeon de Nieuwe Theoloog of Neotheologos (949-1022) werd monnik na een afgebroken carrière aan het hof van Constantinopel en staat bekend als de belangrijkste Byzantijnse mystieke auteur, ook als hij tijdens zijn leven in aanvaring kwam met de hiërarchie. Hij werd vooral bekend om het grote (en omstreden) belang dat hij hechtte aan persoonlijke inspiratie en als bron voor het latere hesychasme (monastieke beweging die focust op voortdurend gebed en het Jezusgebed in het bijzonder). Hij is de auteur van een omvangrijk oeuvre aan theoretische traktaten, mystieke hymnen en preken. Als overste van het klooster van St. Mamas in Constantinopel hield ook hij toespraken (catechesen) voor zijn gemeenschap.

Syméon le Nouveau Théologien, Catéchèses I, II & III, ed. B. Krivochéine, Sources Chrétiennes 96, 104 & 113 (Paris, 1963-4-5)

 

 

 

Q van Quakers

Quakers – officieel ‘The Religious Society of Friends’ – zijn traditioneel zeer strikt inzake huwelijksliefde. Een man wordt geacht op 26-jarige leeftijd te huwen, een vrouw op 22-jarige leeftijd, en hun liefde hoort niet in de eerste plaats elkaars richting uit te gaan, maar die van God. Liefde, zo redeneren de Quakers, moet radicaal worden losgekoppeld van alles wat met lust te maken heeft. Alle liefde, ook de seksuele, wordt verondersteld exclusief te worden beleefd als agape.

Voor hen is liefde geen intiem gevoel, geen libidineuze impuls. Het is een gebod. Zoals bij de Quakers zowat alles een gebod is. In alles gehoorzamen ze aan wat door de Allerhoogste wordt geboden. Juist om die reden noemde de rechter die in 1650 hun stichter Georges Fox veroordeelde, hem en zijn medestanders ‘quakers’. Had Fox niet gezegd dat de mens zou moeten ‘beven’ en ‘schudden’ voor dat Woord van God waarin over alles wat is, werd beslist? Fox had het bij Jesaja gelezen: “Dit zijn degenen naar wie ik met gunst kijk: zij die nederig en verslagen van geest zijn, en die voor mijn woord beven.” (66:2). Toen de rechter hen smalend in het gezicht slingerde dat ze ‘bevers’ waren, namen Fox en zijn mannen die term prompt over als een eretitel en noemden zich voortaan ‘Quakers’. Eenmaal in de Nieuwe Wereld, in het land Pennsylvania (genoemd naar de leider van hun expeditie, William Penn), was er geen rechter meer om hen het ‘beven’ voor God te verbieden.

Ets van een “Quaaker vergaadering” in koloniaal Amerika (naar een schilderij van Egbert van Heemskerk de Oudere uit 1685). Nieuw voor die tijd is dat diegene die het Woord Gods vertolkt een vrouw is en dat mannen, vrouwen en dieren, niet van elkaar gescheiden, naar dat Woord luisteren.

Quakers leven bevend voor het gebiedende Woord van God. Maar denk daarom niet dat alle vrijheid bij hen weg is. God gebiedt alles, maar daarom kan ook niemand in de naam van God anderen zeggen wat ze precies moeten denken en doen. In tegenstelling tot veel aanverwante protestantse gelovigen, houden Quakers zich nauwelijks bezig met het vastleggen en bewaken van een strenge doctrine. Ze hebben geen kerken, geen speciale liturgische plaatsen, geen geritualiseerde praktijken. Voor hun bijeenkomsten hebben ze niet eens een vast tijdschema. Ze komen samen als sommigen daar behoefte aan hebben, en eenmaal samen, houden ze het doorgaans bij een collectief zwijgen, tenzij iemand zich voldoende door God zelf geïnspireerd voelt om iets te zeggen of te zingen. Geen doctrine, geen instellingen, geen kerken, geen regels, geen wetten: ziehier dan een leven dat samenvalt met een ‘beven’ voor Gods Woord.

De double-bindverhouding die we ontwaarden in het christelijk gebruik van het woord ‘liefde’ (liefde tegelijk als wet én als voorbij de wet) vindt hier een treffende illustratie. De Quakers stellen hun hele leven onder Gods Wet, maar leven dat leven alsof het reeds de volle vervulling van die Wet is. Dat ze streven en hunkeren naar een heilige gemeenschap beleven ze alsof ze nu reeds in zo’n gemeenschap leven. In die zin hebben ze inderdaad geen doctrine of wat dan ook nodig. Zij zijn een gerealiseerde, vleesgeworden – en daarom ook nutteloos geworden – doctrine. Ze zijn de vervulling van de Wet, het tot werkelijkheid geworden Land van Belofte.

Maar vergis je niet: het gewicht van de Wet blijft voor de Quakers immens. Ze sidderen voor de Wet, dat beamen ze volmondig. Maar wáárom beven ze dan? Alles wel beschouwd hebben ze toch juist geen enkele reden om te beven! Ze leven immers als stonden ze buiten en boven de Wet. Ze leven in het rijk van het vervulde liefdesverlangen, de agape.

Edward Hicks, Penn’s Treaty with the Indians, 1840-44

Is dat zo? Ook zij weten uiteraard dat dit niet echt het geval is. Maar dat belet hen niet te leven alsof ze buiten de Wet staan, alsof de belofte die in de Wet geïmpliceerd is, in hun ‘Vriendengenootschap’ tot vervulling is gekomen. Ze doen alsof er geen gebod of wet meer geldt, en juist op die manier bevestigen ze bij uitstek die wet – een wet waarvoor ze beven, zelfs wanneer zij erin slagen die volledig te gehoorzamen.

In heel wat revolutionaire politieke bewegingen van de laatste eeuwen is dit soort logica uitgemond in een totalitair regime, gekenmerkt voor hun verregaande onverdraagzaamheid. Het communisme verklaarde alle mensen tot ‘socii’ – kameraden, ‘vrienden’ – van elkaar, terwijl het in een mum van tijd een systeem werd waarin niemand nog kon functioneren tenzij hij deed alsof hij ‘socius’, kameraad of vriend van de iedereen was – een situatie die al snel de geringste sociale solidariteit simpelweg onmogelijk maakte.

Demonstratie in Philadelphia, 1983

Merkwaardig genoeg is het daar in het geval van de  ‘Society of Friends’ niet noodzakelijk op uitgedraaid. Zeker, onverdraagzaamheid en totalitaire neigingen waren – en zijn nog steeds – een constant risico voor de doorgaans erg kleine Quaker-gemeenschappen. Maar zijn ze niet één van de weinige kolonistengroepen in de Nieuwe Wereld die in staat is geweest om de inheemse bevolking op een correcte manier te bejegenen? Denk bijvoorbeeld aan William Penn die erin slaagde een verdrag met de inheemse buren tot stand te brengen dat meer dan een eeuw ongeschonden bleef. Denk ook aan de vele sociale activisten van de 20e eeuw – inclusief de oprichters van Greenpeace – wiens achtergrond Quaker is.

Wat weerhield het Quaker-liefdesideaal ervan om niet in de totalitaire val te trappen? Enkel en alleen hun minderheidspositie die ze altijd in de samenleving hebben ingenomen?

 

 

 

 

*

 

 

 

 

 

Nieuw licht op het Titus Brandsma Instituut: Edwin van der Zande

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 2 van een nieuwe serie vertelt Edwin van der Zande over zijn streven om zich te laven aan de mystieke bronnen. “Ik heb heel lang op het grensgebied geleefd, als een vertaler voor de samenleving van de katholieke mystieke teksten en theologie. Het is dan zaak om niet vervreemd te raken van de bronnen.”

De rode draad in het werkzame leven van Edwin van der Zande is het vertalen. Als pastoraal werker in Houten vertaalde hij acht jaar lang katholieke bronnen in dialoog met de parochianen, voor catechese of in voorlichtingsbijeenkomsten. Aan de Hogeschool Utrecht, waaraan hij inmiddels ruim tien jaar is verbonden, is een van zijn hoofdtaken de coördinatie van de minor Filosofie. Wereldreligies. Spiritualiteit, goed voor zo’n 120 tot 150 studenten per jaar met uiteenlopende achtergronden. “Ook dít is een vorm van vertalen”, zegt Edwin. “Ik breng de studenten in contact met religieuze en spirituele wijsheidsbronnen, en ik begeleid hen bij het toepassen van die bronnen voor hun professionele handelen.”

Edwin actualiseert “de inhoud van de bronnen van waaruit hijzelf leeft”. Na een bijna twintig jaar durend werkzaam leven in parochie en onderwijs zocht hij een onderzoeksomgeving die zich specifiek toelegt op spirituele  bronnen. Die heeft hij nu gevonden binnen het TBI, met op zijn wensenlijstje een studie naar de verbinding van het werk van historicus-filosoof-psycholoog Michel de Certeau met de filosofie van Charles Taylor en Martin Buber, bronnen die voor hem een perspectief bieden voor een dialoog vanuit een spirituele bewogenheid. Binnen de onderzoekslijn ‘Maatschappelijke Spiritualiteit’ zal Edwin zijn aandacht verdelen over onderzoek én onderwijs.

Een uitdaging
Het zal nog een hele kluif worden om de diverse rollen binnen het instituut te gaan vervullen, zo wijst Edwin op “de uitdaging” tussen het onderzoek dat hem wacht, in combinatie met – ook hier – de vertalersrol. “Hoe kan ik de aansluiting van het TBI versterken met groepen in de samenleving voor wie onze christelijke en spirituele teksten van betekenis kunnen zijn?” Als denkbare doelgroepen noemt Edwin geestelijk verzorgers, docenten, verpleegkundigen én de studenten van de universiteit. “Er valt hier genoeg op te schudden”, zo wijst hij op de banden die worden aangehaald met de Faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen. Mogelijk is ‘zijn’ Utrechtse minor een inspiratiebron voor een minorprogramma in Nijmegen, overweegt hij. “Een droom is een geaccrediteerd onderwijsaanbod, in samenwerking met de faculteit.”

De groepen die gevoed kunnen worden met spirituele bronnen zijn veelomvattend, zegt Edwin. Keuzes zijn nodig, waarbij Edwin graag inzet op de docenten in het voortgezet en primair onderwijs. “Onderwijs is zoveel meer dan effectiviteit. Ik ga graag met de leerkrachten in dialoog, om hun inspiratie naar boven te halen: ‘Hierom ben ik docent geworden!’” Een ander veld is het bedrijfsleven, met name een netwerk van ondernemers die zijn geworteld in het katholiek-sociale leven. Met diverse van die organisaties heeft Edwin al contacten, ook hier weer om de bronnen in dialoog tot leven te wekken. “Het gaat mij niet om iets als mindfulness voor ondernemers, want dat kan snel een trucje worden. Nee, in zo’n dialoog wil ik de waardes zichtbaar maken. Wat beweegt jou in jouw bedrijf.”    

 

Wroeten in een Engelse tuin
“Ik vind het heerlijk om als ontspanning met de handen in de grond te wroeten, even afstand te nemen, met een ander perspectief naar de wereld te kijken. Rondom ons huis hebben we een tuin aangelegd in de Engelse cottage-stijl. Je kunt erin dwalen, er zijn vijvertjes en een waterval, en het streven is voor elk seizoen nieuwe geuren en kleuren te scheppen. Ik leg de tuin niks op, maar probeer mee te bewegen met de natuur. Net als in mijn werk wil ik me laten verrassen door wat ik tegenkom.”

Edwin van der Zande (Wateringen, 1972) studeerde tussen 1990 en 1994 aan de HEAO Rotterdam, gevolgd door een opleiding aan de Katholieke Theologische Universiteit in  Utrecht (1995 – 2003). Gepromoveerd in 2018 (Universiteit Utrecht) op een onderzoek naar levensoriëntatie bij professionals. Werkte als pastoraal werker in parochie H. Paus Johannes XXIII in Houten (2003 – 2011), en sinds 2011 aan de Hogeschool Utrecht (verbonden aan het lectoraat Normatieve Professionalisering). Sinds februari dit jaar werkt hij halftijds aan de hogeschool, de andere helft aan het TBI.

bol.com | Life Orientation for Professionals | 9789079578009 | Edwin van der Zande | Boeken

Nieuw licht op het instituut: Lieven De Maeyer

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 1 van een nieuwe serie vertelt Lieven De Maeyer over zijn promotieonderzoek en zijn hoop op een vertaling van het complete werk van Simone Weil. “Het zoekende in haar werk zou meer op de voorgrond mogen treden.”

Lieven De Maeyer (1992) startte deze lente aan een vierjarig traject dat moet leiden tot zijn promotie, onder begeleiding van Marc De Kesel. Een lezing vanwege het boek Zelfloos van De Kesel bracht hen in 2017 bij elkaar, waarna het wachten was op tijd en geld om met het onderzoek aan de slag te gaan. Wat is gelukt. “Ik heb erg veel zin om hier te gaan werken, hopelijk na corona ook met veel persoonlijke ontmoetingen. Dit instituut ligt me wel. Er zit hier veel expertise over de dingen die mij fascineren.”

Meerdere kunstenaars in de moderne stromingen hebben zich met pamfletten regelmatig tegen de religie gekeerd, tegelijk zijn stromingen als het surrealisme, symbolisme of het dadaïsme rijk aan invloeden uit de mystieke traditie. Op een of andere manier ontlenen kunstenaars daar inspiratie aan, aldus Lieven, ook als ze er in geschrift afstand van nemen. “Soms is er sprake van religieuze verlegenheid. Elke kunstenaar worstelt met het probleem van de creatie: ben ik het die schept, of schept er iets door mij? Ben ik slechts een doorgeefluik? Het is jammer dat het verband met de religieuze traditie hierbij niet vaker expliciet onder de loep genomen wordt. Wat nemen moderne, ook atheïstische kunstenaars over van de religie? Wat schrappen of radicaliseren ze?”

Met een nieuwe blik op de mystieke teksten denkt Lieven raakvlakken bloot te kunnen leggen met de kunsten. “Er zijn nog veel relatief onontgonnen teksten.” Mogelijk komen er bronnen naar boven die ook de moderne artistieke inspiratie kunnen verdiepen. “Net zoals God doorheen de mysticus kan spreken en handelen, zo lijkt de artistieke inspiratie in het surrealisme ook vaak van een ‘ander’ te komen. Het is die formele gelijkenis die me fascineert en die ik wil uitdiepen.”

Simone Weil
Een aan zijn wetenschap verwante passie is het vertalen van het werk van Simone Weil, de Franse filosoof-mysticus-auteur die leefde tussen 1909 en 1942. Lieven maakte een vertaling en bloemlezing van Weils teksten, Simone Weil. Leven op de rand van de wereld (2018). In het Nederlands zijn tot zijn spijt alleen fragmenten uit haar oeuvre vertaald, zoals brieven, artikelen en enkele bloemlezingen.

Het losse werk biedt volgens Lieven onvoldoende zicht op het denken van Weil, reden om te hopen op een complete vertaling. “Weil wordt vaak voorgesteld als een robuust denker, met een eigen leer vol met stelligheden. Maar aan het zicht onttrokken is dat zij eigenlijk voortdurend met zichzelf in discussie is. Haar stellingen zijn uitnodigingen voor tegenspraak, niet een verwoording van ‘zo is het!’. Dat zoekende in haar denken zou veel meer op de voorgrond mogen treden.”

“De laatste jaren hebben mijn hobby’s wat te lijden gekregen onder het werk, maar corona heeft me gelukkig wel mijn liefde voor de fiets en het wandelen doen herontdekken. In zekere zin heb ik ook van mijn hobby mijn beroep kunnen maken: voor ik aan mijn promotieonderzoek begon, ging het meeste van mijn vrije tijd ook naar lezen, vaak dezelfde teksten waar ik nu op werk. Een niet-academische passie is reizen. In 2013 ging ik voor het eerst naar Zuidoost-Azië, om in Cambodja Engelse les te geven op een plattelandsschooltje. Ik heb er mijn hart verloren en ben intussen al twee keer terug kunnen gaan. Hopelijk laat de pandemie gauw toe om mijn oud-collega’s daar nog eens te bezoeken.”

Lieven De Maeyer. Leven op de rand van de wereld. Bloemlezing uit het oeuvre van Weil in de reeks Spirituele Meesters, uitgeverij Carmelitana, 2018.

Zelfloos. De mystieke afgrond van het moderne ik Van Marc de Kesel verscheen in 2017 bij uitgeverij Kok, Utrecht.

Salvador Dalí – en niet anders. Tentoonstelling in het Noord-Brabants Museum in Den Bosch, tot en met 21 november.

 

 

 

Nieuw licht op het instituut: Coban Menkveld

Nieuw licht op het instituut: Coban Menkveld

Welke ambitie gaat er schuil achter nieuwe onderzoekers en vrijwilligers van het Titus Brandsma Instituut? In deel 4 van een serie met introductiegesprekken vertelt Coban Menkveld over zijn bijdrage aan de intellectuele biografie van Titus Brandsma. Hij hoopt als assistent-biograaf een paar levenstappen van Titus bij te kunnen schijnen.

Het uitvallen van Ineke Cornet wegens ziekte was een aderlating bij het volbrengen van de intellectuele biografie van Titus Brandsma, een hiaat dat Coban Menkveld bij uitstek kan opvullen. “De aanleiding was onverwacht”, zegt Coban, “maar het biedt mij een bijzondere gelegenheid om bij te kunnen dragen aan de biografie.” Inigo Bocken, projectleider van de biografie, kende Menkveld al veel langer, om te beginnen als zijn docent en later in het kader van het gezamenlijk organiseren van filosofische avonden.

Een bijzondere stap in het werk voor de biografie is de ontmoeting eind september van Coban en Inigo met Titus Hettinga, de achterneef van Titus en kleinzoon van een van Titus’ oudste zussen. De bijna tachtigjarige Hettinga bewaart nog veel levendige herinneringen aan zijn grootmoeder, Gatske de Boer-Brandsma (1878-1960). Bij deze ontmoeting is ook Henk Nota pr. aanwezig, auteur van Titus Brandsma onder ons (Bolsward, 2003) en beheerder/secretaris van Stichting Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland.  Nota is in door Titus tot het priesterschap gekomen en in 1999 tot priester gewijd. Op het programma van Coban staat verder een bezoek aan Kamp Amersfoort, waar mogelijk nog informatie is te achterhalen over het verblijf van Titus in dit kamp, in maart en april 1942.

Titus staat te boek als verzetsheld, een etiket dat volgens Menkveld nuancering behoeft. “Hij was niet zozeer een verzetsman, als wel een man van overtuiging, met zijn verzet tegen de bezetter als logisch gevolg daarvan. Hij maakte niet de bewuste keuze om verzet te plegen uit bijvoorbeeld politieke overtuiging. Titus zou eerder beschouwd kunnen worden als een religieus-intellectuele verzetsman.”

Inspiratie uit Friesland
De bijzondere interesse van Coban gaat uit naar het religieus-culturele belang van Friesland voor Titus. De Friese cultuur heeft volgens hem Titus’ religieuze en intellectuele kijk op de dingen gedurende zijn gehele levenswandel begeleid en gevoed, aanvankelijk impliciet, gaandeweg zijn leven steeds explicieter. Zo wijst Coban op de “koortsachtige manier” waarop Titus zich eind jaren dertig bezig hield met de Fries-Katholieke archeologie, onder meer met de Friese Sint Willibrorddobbe op Ameland: een bron waarin Willibrord (ca. 658 – 739), de apostel der Friezen, gelovigen zou hebben gedoopt.

Titus hield zich de laatste jaren van zijn leven ook intensief bezig met het gedachtegoed van de franciscaanse pater Johannes Brugman (ca. 1400 – 1473). Mede dankzij Brugman kreeg Bolsward in 1455 stadsrechten, een inzet die Titus niet is ontgaan, ook vanwege zijn afkomst uit het nabijgelegen buurtschap Ugoklooster. De glans van zijn vijftiende-eeuwse voordrachten leeft nu nog voort in de uitdrukking ‘praten als Brugman’. Coban: “Titus herkende in de voortdurend rondreizende Pater Brugman kwaliteiten die hij niet bezat: voornamelijk op retorisch vlak, denk aan het houden van voordrachten en het gebruik van  intonatie.”

Op zijn achttiende koos Titus voor de karmelitaanse weg. Het franciscaanse pad lag gezien de destijds sterk franciscaanse invloeden rond Titus’ Friese kringen veel meer voor de hand, maar Titus heeft daar nooit afstand van genomen. Coban noemt deze invloed “een sluitstuk van Titus’ intellectuele biografische ontwikkeling”, waarmee Titus een verpersoonlijking werd van een krachtige mix: de redelijke en rationele kant van de dominicanen verrijkt met de affectieve inzet van de franciscanen. “Dat kwam samen in de Carmel, een traditie die door Titus naar een hoger plan werd getild.”

Het TBI met het oog op valorisatie
De verbintenis aan het biografisch werk eindigt voor Coban in juli 2022, maar hij zou daarna graag aan het instituut verbonden blijven, met name met het oog op de valorisatie, lees: via lezingen, mediabijdragen of congressen de denkkracht van het instituut verder verspreiden. Zo heeft hij contact gelegd met Museum Orientalis, “om het eigene van de christelijke mystieke traditie in het licht te stellen van andere mystieke articulaties, vanuit bijvoorbeeld de joodse of islamitische traditie.”

Buiten het werk

“Mijn passies drukken zich veelal uit in groepsverband. Zo houd ik ervan om filosofische avonden te organiseren, met meerdere mensen spelletjesdagen of vuuravonden te houden, met andere mensen muziek te maken, met mijn vrouw en dochter gezinsuitjes te ondernemen, voor gasten te koken. Op meer solistisch niveau houd ik er ook erg van om alleen in de natuur te wandelen, alleen te zwemmen en te hardlopen.”  

Coban Menkveld (Hardenberg, 1988) studeerde tussen 2007 en 2016 Theologie en Religiewetenschappen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Eerder was hij werkzaam als medewerker Beeld en Geluid bij het Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen en als Akademie-assistent bij het project Stijlen van Religiekritiek. Ook staan diverse wetenschappelijke teksten op zijn naam.

 

 

 

 

De P van Prego

Ti prego. Ik bid je, ik smeek je, ik vraag je. Bidt liefde? Smeekt ze, vraagt ze? Is wat een minnaar aan zijn liefste bindt, een vragen, een smeken? Een gebed? Een gebed: ja, waarom niet? Want dat is toch wat de gelovige aan God bindt: een vragen, smeken, bidden? En misschien doen ook minnaars dat wel eens tegenover elkaar? Wat als liefde bidden is?

Maar wat is bidden? Het is niet gek toch even bij die vraag stil te staan. In ‘bidden’ schuilt namelijk eenzelfde soort dubbelheid die we, zoals al herhaaldelijk aangestipt, aan het werk zien in wat we zo probleemloos ‘liefde’ noemen.

‘Bidden’ heeft eerst en vooral een religieuze connotatie. Uiteraard. Bewust van hun eindigheid, bidden stervelingen tot onsterfelijken en vragen hun om gunsten, bijstand, steun. Anders dan sterfelijken, houden onsterfelijke goden zich op voorbij de grenslijn die voor de eerstgenoemden de dood is. Vanuit dat Jenseits, zo weten sterfelijken, wordt hun het leven toebedeeld – ‘geschonken’ in de harde zin van het woord.

Biddend vragen en smeken mensen de goden dat ze het schenken aanhouden en hun gunstig gezind blijven. En dit ‘bidden’ en ‘smeken’, zo weten stervelingen, is op zich ook een geschenk waarmee ze hopen hun goden te behagen. Ze bidden hun goden om alles en nog wat, en beseffen dat hun gebed zelf al een geschenk is – reden waarom ze hun gebeden vergezeld laten gaan van andersoortige giften zoals lofzangen, processies, tempeldiensten, offers.

Guido Reni, Maria Magdelena in gebed, 1627

En die worden door de goden doorgaans gretig aanvaard. De sterfelijken leven van wat de onsterfelijken hen geven, maar andersom kunnen ook de onsterfelijken het moeilijk zonder de giften van de stervelingen stellen. Een god voor wie niemand nog bidt en aan wie niemand nog iets vraagt of offert, zo’n god zal alles doen om de mens alsnog van gedachte te doen veranderen, maar als het niet lukt, zit er voor hem weinig anders op dan zich terug te trekken. Dan wordt hij ‘otiosus’, heet het vriendelijk in het Latijn – lees: hij gaat ten onder in vergetelheid. Denk aan de beroemde Götterdämmerung waar Wagners opera over zingt.

Net als liefde luistert ‘bidden’ naar de logica van de gift, zoals de sociologie van Marcel Mauss die heeft geanalyseerd. ‘Beminnen’ en ‘bidden’ volgen beide de drieledige procedure van ‘geven’, ‘ontvangen’ en ‘zelf iets geven’ – of zoals Mauss het uitdrukt: ‘gift’, ‘ontvangst’ en ‘tegengift’. Voor Mauss ligt dit procedé aan de basis van de samenleving en zelfs aan de basis van het individu, omdat dat nooit anders dan in en door die samenleving kan bestaan. ‘Schenken’, ‘ontvangen’ en ‘zelf iets terugschenken’: het structureert en grondt ten diepste het sociale leven en de inherent sociale mens. Inclusief zijn sociale leven met de onsterfelijken, met de goden. Ook goden leven van giften en dus van de gebeden die mensen aan hen richten.

Liefde kent een vergelijkbare structuur. Minnaars ‘bidden’ om de liefde van de ander, en hun liefde blijft zolang dat bidden blijft. Als puntje bij paaltje komt, is het hun bidden – hun nooit uitdovende vraag om liefde – die hen tot minnaars maakt.

Albrecht Dürer, Biddende handen, 1508

Bidden is eigen aan elke religie. Ook aan het monotheïsme. En toch is bidden daar anders. Uiteraard bidt ook de monotheïst, maar om echt monotheïstisch te zijn, moet zijn gebed toegeven dat er iets fundamenteels ‘fout’ in schuilt en zelfs dat het in zekere zin iets zinloos heeft. Zijn God is immers alleen God in die mate dat Hij niet kan worden beïnvloed door giften, en dus ook niet door gebeden waarmee de mens zich tot Hem richt. Daarom is God ook Waarheid: Hij is wat/wie Hij is, altijd en overal. Dit is wat Hem onderscheidt van heidense – wat voor een monotheïst wil zeggen: valse, onbestaande – goden. Let wel, ook die Ware God is zonder meer in staat om de gebeden van de mens te beantwoorden en meestal doet Hij dat ook, maar niet omdat de mens Hem eert met offers en geschenken, niet omdat er tot Hem wordt gebeden. De Ware God schenkt wat hij schenkt enkel en alleen omdat het Zijn soevereine goedheid behaagt. Om trouw aan zijn God te zijn, moet de monotheïst dit erkennen en dit mee in zijn gebed opnemen. Hij moet erkennen dat God zijn gebeden op geen enkele manier nodig heeft en pas dan belijdt hij de Waarheid van zijn God.

Als dit waar is en je past het toe op de liefde, licht in het monotheïstische gebed een dimensie op die je gerust erotisch kunt noemen. Het onvervulde en onvervulbare verlangen dat erotiek eigen is, komt onverwacht in het volle licht te staan. Elk gebed drukt een verlangen naar God uit en benadrukt tegelijkertijd de onmogelijkheid van dat verlangen ooit vervuld te worden. Het monotheïsme heeft in die zin inderdaad iets hardnekkig erotisch. Onze christelijke minne-mystiek is daar slechts één van de uitingen van. Door het ultieme object van menselijk verlangen te situeren in een abstracte, onbereikbare God, wordt bevestigd hoe het verlangen primeert boven de bevrediging ervan. Eros primeert er boven agape.

Murillo, H. Francisus omhelst Christus aan het kruis, 1668

In zijn extreme consequentie draagt die monotheïstische eros ook potentiële wreedheid in zich. Denk bijvoorbeeld aan de christelijke spirituele cultuur van de pur amour. Wanneer een mysticus, brandend van verlangen naar God, tevens zeker weet dat God hem voor eeuwig onbevredigd in de hel zal laten branden, dan ziet hij dit enkel als een extra reden om – nu geheel ‘zuiver’, ‘puur’ – van God te blijven houden. Voor lief nemen dat je nooit ophoudt door de onbereikbare Geliefde vernietigd te worden: je kunt het beleven als de ultieme liefdesdaad waartoe je je als mens geroepen weet.

Hier wordt ‘bidden’ op een extreme manier een vragen om ‘niets’: het vraagt erom in het geheel niets meer te zijn – niets meer dan een geheel van jezelf verloste lofprijzing aan het adres van God. Bidden is God prijzen en, in diezelfde lofprijzing, erkennen dat God helemaal niet geprezen hoeft te worden en dat alleen een radicaal op zich genomen zelfloosheid dit ‘bidden’ – of, wat hier hetzelfde is, die liefde – kan waarmaken.

De ‘zinloosheid’ van mijn gebed valt hier samen met de ultieme zin ervan. Net zoals het gebrek aan antwoord op mijn liefdesvraag beleefd wordt als het ultieme antwoord erop.

O van Histoire d’O

Wat de liefde betreft, heeft ook O een geschiedenis. Of, zoals je de Franse titel ook kunt vertalen, een verhaal. In Histoire d’O, een Franse erotische roman uit 1954, lezen we hoe een jonge vrouw, enkel met het initiaal O genoemd, zich op verzoek van haar minnaar overgeeft aan steeds sadistischer wordende fantasieën, ook van en met andere mannen. Nee, O wordt niet gedwongen. Keer op keer wordt haar gevraagd of ze in alle vrijheid wil doen wat haar wordt verzocht. Uit liefde voor haar minnaar knikt ze telkens ja. Wanneer haar leven al snel integraal dat van een seksueel slachtoffer wordt, is dat omdat ze dat zelf wil. Uit pure liefde.

Boven de titel van de roman lezen we Pauline Réage, in het literaire Frankrijk van 1954 een volstrekt onbekende naam. Pas in 1994 onthult Dominique Aury, een literaire critica die haar hele loopbaan aan de beroemde Parijse uitgeverij Gallimard was verbonden, dat zij het is die achter dit pseudoniem schuilgaat. Histoire d’O is met andere woorden het werk van Anne Desclos, want dit was dan weer de echte naam voor diegene die bij Gallimard en literair Frankrijk bekend stond als Dominique Aury.

Ann Desclos, alias Dominique Aury, alias Pauline Réage

Het verhaal achter die pseudoniemen is niet zonder een link naar een amoureuze story die met deze roman samenhangt. Anne Declos was de minnares van Jean Paulhan, directeur bij Gallimard. Op een dag had Paulhan gesnoefd dat erotische literatuur toch wel echt een mannenzaak is. Hierin, zo had hij beweerd, halen vrouwelijke schrijvers nooit het niveau van hun mannelijke collega’s. Zonder hem in te lichten, ging Ann Desclos de uitdaging aan. Een jaar later verscheen Histoire d’O. Het boek sloeg meteen aan bij het grote publiek en kent tot op vandaag de dag herdruk na herdruk. Jean Paulhan had het bij het verkeerde eind, zoveel is duidelijk.

De roman en zijn onverwacht succes is vergelijkbaar met de driedelige bestseller van enkele jaren geleden: Fifty Shades of Grey. Bij het verschijnen in 2012 werd de ook in literaire middens volstrekt onbekende auteur, E.L. James, in een mum van tijd wereldberoemd.

Waarom kennen sadomasochistische fantasieën zo’n brede belangstelling, zowel bij literaire experten als bij mensen die zelden of nooit een boek lezen? Zeker niet omdat de lezers zelf sadomasochistische neigingen zouden hebben. Je kunt er gerust van op aan dat de overgrote meerderheid onder hen gewoon ‘normale’ burgers zijn, die zonder meer met afschuw zouden reageren, werden ze ooit in het echte leven met dit soort personages geconfronteerd. Maar waar komt dan de gretigheid vandaan waarmee ze dit soort zaken lezen? Wat maakt dat ze in zoiets genot vinden? Wat kan dit überhaupt te maken hebben met hun eigen liefdesleven, dat zij vast koesteren met een tederheid die in de fantasieën van dit soort romans volstrekt afwezig is.

Over die vraag is veel nadacht, zeker in de psychoanalytische traditie. Maar ook die zal toegeven dat ze het ultieme antwoord schuldig moet blijven. Je kunt het rariteitenkabinet van de menselijk psyché wel enigszins in kaart brengen, maar het waarom van heel wat zaken laat het onbewuste zich niet ontfutselen. Eén van de redenen trouwens waarom een concept als dat van ‘het onbewuste’ is gesmeed.

En toch is het goed te beseffen dat het idee om een intieme band te ontwaren tussen liefhebben en pijn doen/pijn voelen ouder is dan romans als Histoire d’O of Fifty Shades of Grey. Misschien doet dit soort literatuur, naast zoveel andere zaken, ook een beroep op ondergesneeuwde narratieven uit het verleden die stiekem in onze moderne geest zijn blijven rondspoken. Hoe origineel, nieuw, ‘modern’ we ook menen te zijn, ons denken lijkt onbewust nog steeds doorspekt met stijlfiguren en fantasieën die we al lang definitief achter ons waanden.

Je liefde betuigen door te laten zien dat geen enkele vernedering of afwijzing je er ooit van weerhoudt om lief te hebben: dit idee is ook het christendom verre van vreemd. Denk maar aan de mystieke idee van de pur amour. Zelfs als je met absolute zekerheid weet dat de God van wie je zielsveel houdt, je ten eeuwigen dage enkel met helse pijnen zal bestoken, dan nog ben je in staat om onverminderd van Hem te blijven houden. Meer zelfs, je ziet het juist als een kans om Hem nu helemaal puur, dit wil zeggen zonder enig eigenbelang lief te hebben. Gezuiverd van elke amour-propre, is datgene waardoor je met God verbonden bent, nu onversneden pur amour. In allerlei vormen en schakeringen tref je deze redenering aan bij zowat alle spirituele schrijvers van de zeventiende en achttiende eeuw.

Kun je romans als Histoire d’O en Fithy Shades of Grey beschouwen als een expliciet erotische versie van de mystiek-spirituele idee van ‘pure liefde’ – van liefde als rigoureuze onbaatzuchtigheid? Als dat inderdaad het geval is, dan behoort de pur amour-idee in zekere zin nog steeds tot de ‘hardware’ van de manier waarop we fantasmatisch en onbewust over de liefde ‘denken’. De ‘oblatieve’ – zichzelf opofferende – dimensie van de liefde blijkt in onze postchristelijke liefdesverhalen in elk geval nog behoorlijk present.

In dit perspectief is het vreemd dat onze moderniteit nauwelijks wetenschappelijke discoursen heeft ontwikkeld die dit in alle nuances en details onderzoekt en expliciteert. Geen wonder dus dat het succes van zulke sadomasochistische romans in mysteries gehuld blijft. En dit terwijl sadistische en masochistische wreedheid zich in onze literaire en artistieke cultuur al veel eerder genesteld had dan toen het ideaal van de pur amour aan het eind van de zeventiende eeuw in Frankrijk een gigantisch maatschappelijk debat losmaakte.

Francisco de Zurbarán, De Heilige Agatha, 1633, Montpellier, Musée Fabre

Denk maar aan de wreedheid waar de literatuur van de oudheid bol van staat. Aan alle pijn en geweld die bijvoorbeeld uit Homeros’ Ilias spreken. Of uit de tragedies waarmee Aischylos, Sophocles en Euripides het Athene van de vierde eeuw v.C. entertainden. In zekere zin is de apotheose van pijn en lijden die deze antieke tragedies laten zien, overgegaan in de heilige pijn die de christelijke martelaren lijden. De christelijke beeldcultuur illustreert dit overvloedig. Deze heiligen worden geportretteerd op het moment dat ze als slachtoffers van sadistische wreedheid ten onder gaan, en precies in die hoedanigheid vertolken ze de evangelische ‘liefde’. Zo zet de christelijke iconografie ze neer. Midden in hun doodsstrijd straalt hun gelaat en laat het zien hoe zij op dat eigenste moment reeds in een toestand van ‘liefde’ – van agape – verkeren of, wat op hetzelfde neerkomt, reeds opgenomen zijn in het van dood en eindigheid bevrijde Koninkrijk der Hemelen.

In zekere zin is de antieke tragedie mutatis mutandis overgegaan in de heiligheid van de christelijke martelaren. De christelijke iconografie toont hen tegelijk als slachtoffers van sadistische wreedheid én als toonbeeld van ‘liefde’. De manier waarop ze hun marteling voor lief nemen, geldt als bewijs van hun liefde voor de Heiland. De wreedheid zelf – en niets dan dit – laat zien dat er een wereld bestaat die volstrekt aan die wreedheid ontsnapt. In hun wreedheid wordt alle wreedheid ultiem de nek omgewrongen.

Denk, om het bij dat ene voorbeeld te houden, aan Francisco de Zurbaráns bekende schilderij van de Heilige Agatha. Toont dit ‘wrede’ schilderij ons hoe de heilige al vertoeft in het Rijk der Hemelen? De kloosterlingen voor wie het geschilderd is, keken er vast op die manier tegen aan. Wij modernen, gelovig of ongelovig, zien eerst en vooral een ‘kunstwerk’, iets ‘artistieks’, en ervaren het esthetisch. Wij zien ‘schoonheid’.

Ook wij zien dus in de geëtaleerde wreedheid tegelijk iets anders. Alleen verwijst de schoonheid die ons aantrekt, niet meer per se naar een reëel geachte andere wereld. Maar ook voor wie elke verwijzing naar een andere wereld afwijst, overstijgt de schoonheid van het schilderij de wreedheid waarvan het verslag doet.

Schoonheid heeft iets stralends. Er lijkt iets in door te ‘breken’. En de pijn die in dat brok schoonheid wordt afgebeeld, heeft daar mogelijkerwijs ook iets mee te maken.

“Denn das Schöne ist nichts als des Schrecklichen Anfang, den wir noch grade ertragen, und wir bewundern est so, weil es gelassen verschmäht uns zu zerstören”,

“Want het schone is het net nog te verdragen begin der verschikking, en wij bewonderen het zo omdat het, onaangedaan, versmaadt ons te vernietigen”.

Zo heet het in de openingsregels van Reiner Maria Rilkes eerste Duineser Eligie.

Het schone brengt ons tot de rand van onze werkelijkheid, de rand van wat wij kunnen verdragen. En het doet ons halt houden aan die rand: als wil het ons een glimp gunnen van wat, aan de andere kant van die rand, als een niet te verdragen ‘verschrikking’ net niet op ons afkomt om ons te vernietigen. Als we Rilke mogen geloven, is ook voor ons, modernen, het schone onlosmakelijk verbonden met wat inherent pijnlijk is.

Wat we precies liefhebben wanneer we oog in oog met het schone staan, is dan weer een andere vraag.

 

*