Home » Blog

Kijkje in de keuken van Charles Caspers

In Wonosobo (Midden-Java) heeft de Congregatie al vanaf 1938 een dovenschool onder haar hoede, Dena Upakara. Voor bezoekers is er steevast een warm welkom (november 2017)

Voor Charles Caspers, gepensioneerd medewerker van het Titus Brandsma Instituut, is thuiswerken in deze coronatijd niet heel anders dan anders. In november 2019 nam Charles afscheid, maar hij heeft nog een onderzoekaanstelling om zijn monografie over de geschiedenis van de Congregatie ‘Dochters van Maria en Joseph’ (Zusters van de Choorstraat, Den Bosch) af te ronden.

Schrijven, schrijven, schrijven…
‘Mijn bezigheid bestaat voornamelijk uit schrijven, en dat is een individuele aangelegenheid. Dat deed ik de laatste jaren al voornamelijk thuis, en dat is nog steeds zo. Ik mis de bibliotheek wel (UB). De voornaamste reden dat ik nog op het instituut kwam, was om boeken op te halen die ik nodig had voor mijn onderzoek.’

‘Ik werk al jaren aan de geschiedenis van genoemde Congregatie. Het wordt een dik boek. Of eigenlijk: twee boeken en een deel met bijlagen. Een deel, over de missieboek, is klaar. Ik zit nu heel ambachtelijk met rode pen de tekst van het andere deel, dat over Nederland gaat, te corrigeren. En in te korten, want ik wil van 150.000 (!) woorden naar 110 – 120.000 woorden toe. Daarna gaat het naar een aantal mee-lezers, en daarna richting uitgever. Dan is in het najaar de hele kopij klaar.’

Coronavertraging
‘Het was de bedoeling dat het boek dit jaar uit kwam. Er is wat vertraging opgelopen en door de coronacrisis is het niet mogelijk het boek dit jaar nog uit te geven en te presenteren. We gaan nu voor maart 2021. Dat wordt een feest, deo volente.’

In Baucau (Oost-Timor) heeft de Congregatie eveneens een school en internaat voor dove kinderen. Hier vier stoere jongens in danskleren (november 2017)

Mooie plaatjes
‘Een heel leuk onderdeel van het schrijfproces was het zoeken en vinden van afbeeldingen. In het missiedeel alleen al zo’n 175. Een flink aantal van die afbeeldingen heb ik zelf gemaakt. Toen ik bezig was met het bedevaartlexicon (1997-2005), kwam ik op de zonderlingste plekken. Ik ben toen geleidelijk zelf begonnen met fotograferen en dat doe ik nog steeds. Voor dit boek in 2017 nog op Java en Timor, maar in eigen land ook, bijvoorbeeld van het Hamerhuis hier in Nijmegen. Tot voor kort fietsten daar dagelijks talrijke studenten langs van het station naar de Radboud Universiteit. Collega Wendy Litjens helpt me ook met het vinden van afbeeldingen. Dat doet zij heel vakkundig en met aangename verrassingen. ’

Het Hamerhuis
‘Dat is trouwens een bijzonder verhaal, dat van het Hamerhuis. Bij veel Nijmegenaren zal het wel bekend zijn. Het is een merkwaardig gebouw aan de Verlengde Groenestraat. Het is in 1923 gebouwd als studiehuis voor de Scheutisten, een Belgische missiecongregatie. Wat meteen opvalt, is het Chinese torentje. De Scheutisten waren gespecialiseerd in China. Al hun missionarissen gingen aanvankelijk naar China, later ook naar Congo. Het Hamerhuis is vernoemd naar de uit Nijmegen afkomstige Mg. Ferdinand Hamer en het torentje verwijst naar de verbintenis met China. Hamer werd in 1900 vermoord door de zogenoemde Boksers, een echte geloofsmartelaar is hij.  Van hem staat, al sinds 1902, ook een standbeeld bij het Keizer Karel Plein.’           

Op het pad van Titus Brandsma
‘Twintig jaar geleden kwam ik ‘bij toeval’ op het Titus Brandsma Instituut te werken. Gaandeweg de rit realiseerde ik me dat ik veel dezelfde interesses had als Titus, dat ik met dezelfde onderwerpen bezig was. Ik was alleen geen pater maar een huisvader. Onze beider lievelingsonderwerpen zijn Moderne Devotie, volksvroomheid en liturgie. Zo schreef ik, samen met Rijcklof Hofman, een boek over Lidwina van Schiedam, Een bovenaardse vrouw, een heilige voor wie Titus ook veel belangstelling had.’

Wie schrijft die blijft
‘Schrijven blijft altijd een avontuur’, aldus Charles. ‘Het is echt hard werken. Soms ben ik dagen aan het lezen en het samenvatten. Dan kom ik met vierkante ogen beneden. Gelukkig heb ik nooit een writer’s bloc (wat niet wil zeggen dat het vanzelf gaat) en dat komt goed uit, want ik wil nog zeker tien jaar schrijven. Ik wil mijn nieuwe interpretatie van het beeldprogramma van het Lam Gods van Van Eyck nog in boekvorm gieten, en ook over liturgiegeschiedenis, volksvroomheid en de Moderne Devotie heb ik ook nog een paar boeken in mijn hoofd.’

‘Maar eerst moet dit boek helemaal af, dat gaat voor alles. Dus er mag mij niets overkomen, het leven is spannend.’

 

 

De F van Fatum

In de klassieke oudheid was het goddelijke een warrig meervoud. En van transcendentie was geen sprake. De Griekse Olympus was een aardse, al te aardse bergtop. De Romeinse goden hadden er niet eens een. Zij waren burgers onder de burgers, met dien verstande dat ze onsterfelijk waren. Ze woonden waar ook sterfelijken hun een tempel hadden gebouwd. Altijd handig als je het van verering en aangeboden offergaven moet hebben.

Onsterfelijken. Hoe komen stervelingen er eigenlijk bij zich met hen in te laten, hen te vrezen en te vereren? Omdat ze afkomstig zijn uit het domein voorbij de sterfelijkheid, een domein waar het onderscheid tussen leven of dood geen allesbepalend criterium meer is.

Het leven loopt uit op de dood. Waarom dan niet denken dat het ook ergens in of voorbij die dood zijn oorsprong heeft? Dit zou wel eens de gedachtesprong kunnen zijn die aan de basis van alle religies ligt.

Het leven is ons gegeven, ons toegeworpen vanuit een domein even ontoegankelijk als de dood. Hebben we het leven dan aan de dood te danken? In elk geval aan het feit dat die zich – althans tijdelijk– ophoudt achter een harde grenslijn. Misschien zijn het wel de onsterfelijken die daar de dood aan de grens tegenhouden. Tot ze die even loslaten om ons hier te komen halen. De goden geven, de goden nemen. Wij stervelingen weten het: het is ons lot.

De triompf van de dood, of De drie schikgodinnen, Wandtapijt, Vlaanderen, ca. 1510-1520

Noodlot. Fatum in het Latijn. Zo luidt de algemene term voor dat meervoudig goddelijke waarmee antieke stervelingen te maken hebben. In het domein van waaruit het leven wordt gegeven, heerst in hun ogen veelheid en (dus) wanorde. Geen eenheid, geen Ordo zoals christendom en filosofie ons heeft leren denken. Daarom was het voor de antieken zaak de goden die zich in dat domein ophielden, uitdrukkelijk om gunsten te smeken en om voorspoed te bidden. Maar het resultaat van dit bidden en smeken was nooit zeker. De figuur die dat aspect van de het antieke, heidens goddelijke in beeld brengt is die van de Drie Schikgodinnen, de Latijnse Parcae of Fata, de Griekse Moirai: de godinnen betrokken bij de draad van het leven die voor elk van ons wordt gesponnen. Het gaat om Klotho die de draad spint, Lachesis die er de maat van neemt, en Atropos die hem doorknipt.       

In zeker zin herhaalt de antieke Eros die figuur. Hij vertaalt het fatum in de grammatica van de amoureuze liefde. Het blinde van de jonge god rijmt met de onberekenbare veelheid van het goddelijke in het algemeen. En toch. Waar Eros geen religieuze cultus kent, geen altaren, geef offergaven, geen processies (als we tenminste Euripides mogen geloven, zie Hyppolytos v. 538-541), kennen de goden die uitdrukkelijk wel. Je kunt en moet hen eren, bidden en smeken. Maar zonder garantie. Dat laatste heet ‘noodlot’.

Dit wil niet zeggen dat de religieuze mensen in de Oudheid geen vertrouwen in hun goden en het door hen gesponnen noodlot zouden koesteren. Maar dat vertrouwen verschilt radicaal van het geloof dat de christenen hebben in hun ene God. Hun geloof veronderstelt de vernietiging van het antieke noodlot. Het christelijke geloof laat zich niet definiëren als een manier om met het onzekere en onberekenbare van het goddelijke om te gaan. Integendeel, dat geloof weet zich gegrond in een God die van de mens houdt met een liefde die voorbij de Eros gaat, een liefde die zonde, dood en elk ander menselijk tekort overwint. Geloof is wat de christen hoop geeft en doet leven in het rijk van de liefde. Denk aan het slot van Paulus beroemde liefdesode in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (13:13): “Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste.”  De christelijke God is niet die van het fatum. Daarvoor is Hij te betrouwbaar. Hij is, zo je wil, de betrouwbaarheid zelve.

Het eerste bad van Achiles (detail met de drie schikgodinnen), mosaïek uit de 5de eeuw, Pahhos Archeologische Park, Cyprus

Is dat zo? Want als het antwoord ja is, waarom zou er dan überhaupt een God zijn? Is God nog God als je op Hem kunt vertrouwen op de manier waarop je vertrouwen hebt in de lucht die je in- en uitademt? Die vraag geldt zeker een monotheïstisch opgevatte god. ‘Niet wie of wat je denkt dat God is, is God; alleen God is God’: zo luidt het paradigma van elke monotheïstische religie. 

Dit houdt in dat ook in het monotheïsme de harde grenslijn intact blijft die het rijk van het leven en dat van de dood van elkaar scheidt. Zelfs in het christelijke, ‘incarnationele’ monotheïsme, blijft God diegene die zich aan de andere kant van die lijn ophoudt. En zelfs als Hij mensen daar een nieuw leven belooft, een leven van liefde zonder zonde, zonder dood, dan is dat hier nooit meer dan een belofte. Christus zelf heeft dood en zonde overwonnen, en ons wordt beloofd Hem daarin te mogen volgen, zij het enkel na Zijn terugkeer van bij de Vader, na het Laatste oordeel.

Dit alles resulteert in het christelijke begrip van ‘Genade’. Dit is de belofte van een Eeuwig Leven, een leven dat helemaal is bevrijd van zonde en dood: een ‘hemel’ dat geen Griekse noch Romeinse god ooit kon beloven. En toch blijft ook de christelijke God een God: soeverein als Hij is, komt het Hem toe zijn schepselen het leven te geven dan wel te nemen. En omdat Hij, om te zijn wie Hij is, ons mensen niet nodig heeft (dit wil zeggen het gerust zonder onze offers, processies, gebeden et cetera kan stellen), kan Hij bij voorbaat, nog vóór iemand ook maar iets heeft uitgericht, nog vóór hij of zij maar zelfs geboren is, beslissen of hij of zij al dan niet het Eeuwig Leven zal binnengaan.    

Toegeschreven aan de Gebroeders Wierix, Geloof, hoop en liefde, 1558, British Museum

In christelijke termen heet dat ‘predestinatie’. In weerwil van de welgemeende en goed onderbouwde Blijde Boodschap die het christendom verkondigt, stelt de idee van predestinatie die van het antieke fatum alleen maar scherper aan de orde. In zekere zijn ‘monopoliseert’ de predestinatie het fatum. Hier is het noodlot van de mens in de handen van de ene en almachtige God en niet langer in die van een veelheid aan goden die voortdurend met elkaar in de clinch gaan. Hier kan ik niet langer op hoop van zegen de ene god tegen de andere uitspelen.

Wat is liefde, wanneer datgene wat haar in laatste instantie beheerst en bepaalt, ‘genade’ heet?

Een van de meest extreme antwoorden op die vraag, vind je bij François Fénelon. Die zeventiende-eeuwse autoriteit inzake mystiek beweert dat, zelfs wanneer Gods predestinatie je heeft veroordeeld tot eeuwig tandenknarsen in de hel, jij nog steeds van God kunt houden. Meer nog: slechts dan is je liefde voor Hem zuiver, dit wil zeggen gezuiverd van het minste zweem van eigenbelang. Voor Fénelon is deze pur amour het ultieme waarmerk van het christelijke geloof.

Herneemt het christelijke geloof in de pur amour niet het antieke fatum in haar meest extreme gestalte?

Kijkje in de keuken van Marc De Kesel

‘Als directeur interne en externe zaken moet ik, zoals alle medewerkers, vanuit huis werken. Dat lukt aardig, al was het maar omdat er prompt met collega’s Ria, Lieneke, Henk en Ilja een WhatsApp-groep ‘coronacrisis’ in het leven is geroepen die alles op de voet volgt. Het komt er nu op aan om onze zichtbaarheid via de website en social media extra te benutten en de communicatie tussen ons onderling en onze relaties via digitale middelen te bevorderen.’

‘Deze week krijgt de drukte voor mij een extra touch. Ik was normaal de hele week in San Antonio, Texas, aan de ons bekende Oblate School for Theology, om er een ‘intensive course’ over ‘Spirituality and Modern Art’ te geven. Maar daar heeft Corona anders over beslist. Even in Texas een voorsmaakje meepikken van de zomerzon, zit er niet in. We moeten het surfend via Zoom doen. Drie uur per dag college geven van achter mijn eigen werktafel thuis: het lukt aardig, maar ‘live’ is het een stuk aangenamer, zoveel is zeker.’

‘Ondertussen werk ik ook aan een recensie van Foucault, Bekentenissen van het vlees (Boom, 2020), redigeer ik samen met Ad de Keyzer de bundel ‘Toon je wonde’ en met Ad Poirters de bundel ‘Mysticism and/as Love Theory’.’

‘De coronacrisis zal ons, zo blijkt, toch wat langer van het normale leven weghouden. We zullen ons in digitale communicatie helemaal eigen moeten maken, er zit niets anders op. En ondertussen maken we er ook gebruik van om in een ander soort rust dan normaal toch gestaag verder te werken aan ons onderzoek.’

‘Maar hopelijk duurt het allemaal niet al te lang, want zolang kunnen we zonder onze legendarische ‘koffietafel’ nu ook weer niet stellen.’

Kijkje in de keuken van Ad Poirters

‘Mijn belangrijkste werk aan het TBI bestaat voornamelijk uit onderzoek naar Nederlandse vertalingen van De imitatione Christi van Thomas van Kempen. In 2021 is het 550 jaar geleden dat Thomas overleden is; voor die gelegenheid zijn we samen met de faculteiten een internationaal congres aan het organiseren. Ook leggen Hans Kienhorst en ik op dit moment de laatste hand aan ons boek over de middeleeuwse handschriften en vroege drukken van de zusters van Soeterbeeck in Deursen, het laatste klooster in Nederland dat rechtstreeks voort is gekomen uit de Moderne Devotie.’

Wat heeft corona voor jou verandert?
‘Vanaf mei zou ik een collegereeks verzorgen rond de veelvormige receptie van de Navolging van Christus in de Nederlanden, door katholieken en protestanten, als kerkboek en als mystieke tekst. Die cursus kan niet doorgaan op dat moment. Ook een lezing die ik zou verzorgen voor het Geert Groote Huis in Deventer moet helaas verplaatst worden.’

Kan je je werk thuis doen? Of doe je ander werk?
‘Nieuw onderzoek kan ik thuis eigenlijk niet doen. Ik werk veel met oude boeken, die alleen in de Leeszaal Bijzondere Collecties van de UB geraadpleegd kunnen worden. Ook moet ik op een gemiddelde dag best een aantal keren naar de bibliotheek lopen om een modern werk te raadplegen. Dat gaat nu natuurlijk niet.’

‘Gelukkig is er genoeg ander werk dat ik wel thuis kan doen. Op dit moment ben ik bijvoorbeeld samen met collega’s bezig met het redigeren van artikelen voor twee congresbundels, een over Thomas van Kempen en een naar aanleiding van het congres Mysticism and/as Love Theory van vorig jaar. En het boek over de historische bibliotheek van Soeterbeeck moet herzien en afgerond worden.’

Letterlijk een kijkje in de keuken van Ad Poirters

Wat mis je het meest nu je thuiswerkt?’

‘De sociale contacten en het gemak waarmee je bij collega’s kunt binnenlopen om iets te bespreken.’

Zijn er ook ‘voordelen’ aan het thuiswerken?
‘Het scheelt tijd en energie om de reis naar het werk, hoe kort die voor mij ook is, niet te hoeven maken. Omdat mijn vriendin en ik geen kinderen hebben, is het thuis bovendien lekker rustig.’

Wat zouden we kunnen leren uit deze crisis?
‘Grotere waardering voor de mensen die de ‘vitale beroepen’ uitoefenen, en dat een eenvoudiger leven in een lager tempo misschien zo gek nog niet is.’

De E van Eros

‘Ultieme liefde komt neer op zelfopoffering’.

Op duizend en één manieren klinkt die definitie van liefde door de hele christelijke geschiedenis heen. Dit geldt zeker voor de mystieke traditie, van Gregorius van Nyssa tot Bernardus van Clairvaux, van Beatrijs van Nazareth tot Thérèse van Lisieux. Maar is die definitie exclusief christelijk? Vind je ook in ‘heidense’ tradities niet tal van voorbeelden van een zichzelf opofferende liefde? Denk maar aan Antigone. Zet ook zij niet willens en wetens haar leven op het spel uit liefde voor haar omgekomen broer?

 Toen Oedipus inzag hoe akelig trouw hij zijn misdadig noodlot had voltrokken, stak hij zich de ogen uit en vluchtte weg uit Thebe. Hij droeg de macht over aan zijn twee zonen. Die zouden om beurten Thebes troon waarnemen, het ene jaar Polynices, het andere Eteocles. Eteocles was het eerst aan de beurt, maar toen zijn regeringsjaar erop zat, weigerde hij plaats te maken voor zijn broer. Gesteund door zeven andere Griekse steden trok Polynices ten oorlog tegen zijn broer, en dus tegen zijn eigen stad. De ultieme slag loopt uit op een duel tussen de twee broers, waarbij elk van beiden de andere fataal treft. Kreon, Oedipus’ schoonbroer en nu nieuwe koning van Thebe, verbiedt ten strengste dat Polynices een begrafenis krijgt. Hij is tenslotte aartsvijand nummer één. Antigone legt dit verbod bewust naast zich neer en eert haar ‘slechte’ broer met een formeel begrafenisritueel, in het volle besef dat ze daarmee haar eigen doodsvonnis tekent. Wanneer Kreon dit verneemt, trekt hij inderdaad die conclusie.

Benjamin Constant, Antigone and Polynices, ca 1806

Jazeker, Antigone hield van haar broer, maar nergens in de bronnen die we van de Griekse mythologieën hebben, wordt expliciet vermeld dat het motief voor haar daad liefde zou zijn. Nergens valt het woord ‘eros’. Ook niet in de tragedie die Sophocles over haar schreef. In de grote schare commentatoren die zich over het stuk hebben gebogen (waaronder Hegel, Hölderlin, Schelling, Heidegger, Lacan, Žižek), is er niemand die ‘eros’ als motief voor Antigone’s daad naar voren schuift.

Maar dit betekent niet dat ‘eros’ onvermeld blijft in Sophocles’ tragedie. Een van de koorliederen (de gekende ‘stasimoi’) is geheel aan de god Eros gewijd (v. 781-9). Het is een van de vermaardste én intrigerendste hymnen aan de liefde uit de gehele oudheid. 

   

 

Liefde, geen strijd wint van je,
liefde, jij die neemt wat men bezit,
die slaapt op zachte meisjeswangen,
die zeeën en tuinen afschuimt,
geen god is veilig voor je,
geen aan zijn dagen gebonden mens.
Wie jou heeft, heeft razernij.

Jij jaagt het hart van wie goed is
richting kwaad en doet hem schande zaaien.
Ook deze bloedverwantentwist stak jij aan.
Hier wint zichtbaar het verlangen
dat danst in de ogen van een meisje in bed –
verlangen, dat bij de macht der hoge wetten
mee aan tafel zit. Ook zonder vechten
overwint de spot van de god, van Aphrodite

Op zijn manier vat het lied mooi samen hoe men in het antieke Griekenland tegen de liefde aankeek: een liefde die de mens in haar greep houdt en, wat ons akelig overkomt, het niet per se goed met ons voorheeft. Integendeel, eerder dan heilzaam, werkt liefde ruïnerend. Zij tast zelfs goden aan, en perverteert de besten onder de stervelingen.

Nikiforos Lytras, Antigone voor het lijk van Polynices, 1865

Liefde is Schoonheid, dat wel, maar dan losgemaakt uit de klassieke, filosofische trits die ze vormt met Goedheid en Waarheid. Sophocles’ hymne prijst de liefde als een onweerstaanbare schittering, maar wel een die kwetst en ontregelt, ook – en juist – in het genot dat ze met zich meebrengt.  En, een niet onbelangrijk detail: het is sterfelijken noch onsterfelijken gegeven om zich aan het genot van de liefde te onttrekken. Geraakt door een gouden pijl uit Eros’ koker, zal je genieten, ook wanneer je zeker weet dat het tragisch afloopt.

Toch is het merkwaardigste aan die hymne niet zozeer haar inhoud als wel haar plaats binnen de tragedie. Net vóór het koorlied staan Antigone en Kreon een laatste keer (zo zal blijken) lijnrecht tegenover elkaar. Aan het eind van die confrontatie velt Kreon ondubbelzinnig het doodsvonnis over zijn eigen nichtje: zij zal levend ingemetseld worden in een ruimte die haar graf zal worden. Kaarten van het plot liggen er nu zo bij dat alles zich alleen nog kan ontwikkelen in de richting van Antigone’s dood. En kijk, precies op dat moment doemt als uit het niets het koor op en verrast het publiek met een onverholen ode aan de liefde: Ἔρως ἀνίκατε μάχαν”, ‘Eros, geen strijd wint van je.’

Overwint de sophocleaanse liefde de dood? Dit zou een christelijke liefde in ieder geval wél doen. Precies op de plaats waar de liefde het rijk van de dood zou binnengaan, zou zij een kruis oprichten dat de dood betekent, niet van het leven, maar van de dood zelf. Voor die liefde reserveert het christendom de term ‘agape’. Op de plaats waar de dood zegeviert, laat Sophocles de liefde opkomen, maar zonder iets aan die zege te veranderen. Midden het knekelveld dat zich aankondigt, laat de antieke dichter ‘Eros’ schitteren, de liefde in de gedaante van een expliciet erotische schoonheid. Eros/liefde als onweerstaanbare schittering, als wat “slaapt op zachte meisjeswangen” – maar ook als wat voluit de dood zijn zege gunt.

Jean de Rotrou, Antigone (titelpagina), 1638

Eros overwint alles. Behalve de dood. Zoals hier neergezet, lijkt de dood iets waar pas de liefde ons in staat stelt naar te kijken. Alsof pas de liefde ons een blik gunt op het ondraaglijke dat de dood is. In Sophocles’ tragedie kijken we naar ‘liefde en dood’. Of, wat misschien op hetzelfde neerkomt: we kijken naar het menselijke verlangen – het verlangen neergezet als sterfelijk, als wat ultiem geen bevrediging kent. Verlangen in zijn tragische conditie. We kijken naar een ‘onvermogen tot voldoening’ als waarmerk voor alles wat menselijk is. ‘Dood’ is de figuur van de onmogelijkheid waarop het menselijke verlangen is georiënteerd. Het is aan Antigone’s schoonheid – en misschien wel aan de Schoonheid zonder meer – om ons dat te laten zien.

Op de titelpagina van Jean de Rotrou’s adaptatie van Sophocles’ Antigone (1638), zien we haar op het moment dat soldaten van Kreon haar op heterdaad betrappen. In de barokke setting van het tafereel lijkt het alsof ze zich aan hen presenteert als een erotische schoonheid. Dat contrasteert erg met wat zich op enige afstand achter haar afspeelt. Daar zien we hoe de Dood op het slagveld heeft huisgehouden, hoe hij haar beide broers heeft neergeslagen, en derhalve een einde heeft maakt aan het geslacht, ‘huis van Cadmus’, waarvan zij de laatste telg is.

De erotische glans van het Schone als scherm voor de Dood. Daarin kun je de functie van ‘schoonheid’ zien: een sluier die, met een helderheid een sluier eigen, ‘verbergt’ wat zich erachter ophoudt – en dat is formeel gezien niets anders dan het onmogelijke waarop ons verlangen is georiënteerd.

 

 

Kijkje in de keuken van Ilja Kramer

‘Ik ben als communicatiemedewerker bij het Titus Brandsma Instituuten bezig met interne en externe communicatie . Zo houd ik website bij, zorg voor communicatie over onze activiteiten en bewaak ik onze huisstijl’.

‘Door de coronacrisis werk ik vanaf vrijdag 13 maart (vrijdag de 13e) thuis. Veel van het werk dat ik doe, is vanachter de computer. Thuiswerken is dus voor mij geen enkel probleem. Ik zit met de laptop heerlijk in de woonkamer, er is goede koffie en we lunchen met het gezin elke dag samen.’

‘Je hoort van sommige mensen dat ze niet zoveel  meer te doen hebben. Dat is voor mij helemaal niet het geval. Ik ben momenteel druk met ons jaarverslag en ik ben ook nog bezig om een boekje te maken voor wanneer Titus Brandsma heilig wordt verklaard (ligt in de lijn der verwachting, maar wanneer is onduidelijk). Daarnaast bereid ik alle communicatie met medewerkers voor, en ook met cursisten, deelnemers en anderszins geïnteresseerden van het TBI. Denk aan interne mails, de website, social media en nieuwsbrieven.’

‘Ik mis het contact met collega’s in de wandelgangen. En ik mis ons koffie-halfuurtje om 10.30. Daar sluit altijd iedereen bij aan die er die dag is. De ene keer hebben we het over koetjes en kalfjes, de andere keer is het heel serieus. En als je jarig bent, moet je trakteren. Ik was vorige week jarig, dus mijn collega’s houden de taart tegoed.’

‘Het voordeel van thuiswerken is dat je altijd lekkere koffie hebt. Nee, geintje. Je wordt heel productief, hebt weinig afleiding. Vergaderen online is ook heel efficiënt heb ik gemerkt.’

‘Wat we kunnen leren van deze crisis is dat we heel goed online kunnen samenwerken. Dat het niet altijd nodig is om in de trein of in de auto te stappen voor een overleg. Dat kan prima via Zoom of Skype of Webex. Hiermee spaar je tijd uit, die je weer aan iets anders kan besteden. Je houdt dus effectief meer tijd over om je werk goed te doen.’

‘En wat we leren is de enorme waarde van mensen in de zorg, het onderwijs, de politie etc. Deze beroepen zullen in de toekomst veel meer gewaardeerd (moeten) worden. Qua imago en qua salaris. Dat zou ik graag zien gebeuren.’

De D van Dood

 Draag mij als een zegel op uw hart,

als een zegel aan uw arm:

want sterk als de dood is de liefde,

met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk

sluit zij ieder ander buiten.

Haar vonken zijn bliksemschichten,

vlammen van Jahwe.

 

 

Het is een intrigerend, vaak geciteerd vers uit het Bijbelse Hooglied (8:6). ‘Sterk als de dood is de liefde.’ Jawel, je leest het goed: ‘Sterk als de dood.’ Je leest niet: ‘Sterker dan de dood.’ En toch is dit wat je wellicht spontaan, bijna mechanisch leest en denkt. Alsof het ongewild of onbewust in je denken gegrift staat dat de liefde sterker is dan de dood, en je het dus ook zo leest. Ook bij de meest Bijbelvasten onder ons is het vaak zo. En zo las men het ook al in vroegere tijden, tijden die vast op grotere Bijbelvastheid konden bogen dan de onze. De zeventiende eeuw heeft ons in deze een emblematisch te noemen voorbeeld nagelaten.

In 1720, in Amsterdam, gooit de genaamde Gerrit Bouman met succes een nieuwigheid op de markt: een ‘Print Bijbel’, een boekje vol verzen uit de Heilige Schrift, maar dan neergezet in de vorm van rebussen. De uitgave mikt op kinderen. Zich vermakend met half getekende, half geschreven raadsels krijgen ze de Bijbelse boodschap speels ingelepeld. Eén van de pagina’s stelt het vers 8:6 uit het Hooglied voor, althans het eerste gedeelte ervan.

De rebus is zonder meer correct. Ontcijferd leest men dat liefde (caritas, iconografisch steevast afgebeeld als een ‘moeder met kinderen’) ‘sterck als de’ dood is. Maar onderaan de pagina, in de geschreven versie van hetzelfde Bijbelvers, staat het er zoals wij het spontaan – maar dus ‘onbijbels’– geneigd zijn te lezen: ‘Set mij Heer als een zegel op uw arm en herte, / De liefde is sterker dan de doodt of ander smerte.’ De liefde is sterker dan de dood. Alsof men het toen nodig achtte de Bijbel ten goede te corrigeren, zo lijkt het wel. Of maakte men per ongeluk het foutje wat we vandaag de dag nog steeds maken?

 

Indien moderniteit – zoals Michel de Certeau en anderen beweren – het tijdperk is van het geloof in de grenzeloze mogelijkheden van de mens, dan is die foutieve lezing typisch modern te noemen. De mens wordt geacht in staat te zijn de menselijke conditie danig uit te dagen en bij momenten zelfs te overwinnen. Hij mag dan sterfelijk zijn, hij doet er alles aan om sterker te zijn dan de dodelijke krachten die hem bedreigen. En, nee, dit is geen ‘hubris’, geen overmoed, zoals de antieken het waarschuwend noemden. Voor de modernen is dit het waarmerk van ons mens-zijn. En dus ook de format van onze ‘liefde’. Liefde is sterker dan de dood.

‘Sterker dan’: die lezing is nog typischer voor een christelijke lectuur. Christenen geloven immers dat met het kruisdrama op Golgotha de menselijke sterfelijkheid is overwonnen. Christus’ liefde – exacter: Gods liefde die door Christus’ kruisdood sprak – verbrak voorgoed het zegel van de dood. Wat voordien het rijk van de sterfelijkheid was, werd herschapen in dat van het Eeuwig Leven. Althans in principe. Pas bij het nakende Einde der Tijden zal dit echt bewaarheid worden. Christenen zijn er dus, vanuit hun geloof en hun hoop, nog spontaner toe geneigd dit vers te lezen als achtte het de liefde in kracht nog sterker dan de dood.

Maar het blijft een feit dat de oorspronkelijke tekst iets helemaal anders zegt. Voor de Hebreeën van het eerste millennium vóór onze tijdrekening was er niet zoiets als een Eeuwig Leven. Gestorvenen leden een schimmig bestaan in de Sjeol, de Bijbelse versie van wat de antieke Grieken het rijk van Hades noemden. In Jahwe God geloven was voor de joden een zaak die uitsluitend het aardse, sterfelijke leven betrof. Wie zich nauwgezet aan de wetten van de Thora hield, werd daarvoor niet beloond in een of ander hiernamaals, maar in de concrete voorspoed hier en nu: een kroostrijk gezin, een vruchtbare veestapel, het genot van rijkdom en geluk in een leven gemarkeerd door festiviteiten en feesten die men deelde met anderen en met de hele gemeenschap. Denk maar aan de manier waarop Job, na de zware tijd van zijn beproeving, terug door Jahwe God met genade werd overstelpt: (in die volgorde) ‘veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen […] zeven zonen en drie dochters’ (Job 42: 12-13).

Marc Chagall, Hooglied, 1965

Wie vanuit dit perspectief tegen het leven aankijkt, beseft dat inderdaad niets sterker is dan de dood. In de dood ligt een donkere, ultieme macht besloten waar niemand aan voorbij kan. Behalve Jahwe God dan, want die deelt leven én dood uit. Die geeft het leven en neemt het ook. Dus ook de dood geeft Hij.  Aan ons dus om het gekregen leven in handen te nemen alvorens de dood het van ons overneemt. Als de dood zich met ons leven inlaat, kunnen we geen kant meer op. Zo sterk is hij.

En precies zo sterk is de liefde. Als die zich met ons bemoeit, kunnen wij haar niet stoppen, manipuleren of wegduwen. We hebben naar haar autoriteit te luisteren, gehoorzaam én brandend, devoot én vol passie. Onder het zegel van die autoriteit gaan mensen een band aan met elkaar, een band onder een zegel ‘sterk als de dood’. Als je haar verraadt, doodt de liefde je.

Kijkje in de keuken van Ad de Keyzer

Vandaag nemen we een kijkje in de keuken bij Ad de Keyzer, vrijwillig wetenschappelijk medewerker van het Titus Brandsma Instituut. Ad is een mystieke duizendpoot. Hij promoveerde op het onderwerp liturgische spiritualiteit. Samen met collega’s zette Ad het vormingswerk van het TBI op de kaart. Ook is hij musicus en componist.

Psalmen project
In deze hoedanigheid werkt hij samen met Kees  Waaijman aan het langlopende project om de psalmen opnieuw te vertalen en op muziek te zetten met het oog op een nieuwe vorm van getijdengebed. Kees zorgt voor de vertaling, Ad componeert. Dit levenswerk levert telkens nieuwe uitgaven op. Uiteindelijk vormen alle bundels een handreiking voor biddend leven.

Gapassioneerd Bachliefhebber
Daarnaast is de Keyzer een gepassioneerd Bachliefhebber en kan hij gezien worden als een expert op het gebied van de Matthäus-Passion én de Johannes-Passion. Hij schreef hierover het Bachs grote Passie en vandaag presenteert hij – samen met Paul Verheijen – hun nieuwe boek Bachs onvoltooide Passie. Een spiritueel-liturgische benadering van de vier Johannes-Passionen van Johann Sebastian Bach.

‘Geef mij een computer en een partituur en ik ben volmaakt gelukkig’
Het totstandkomen van zijn nieuwe boek heeft Ad de afgelopen maanden menigmaal uit zijn slaap gehouden. ‘Zo’n boek maken, dat is echt een hels karwei. Het schrijven zelf gaat me prima af. Geef mij een computer en een partituur en ik ben volmaakt gelukkig. Maar het corrigeren van de drukproeven, dat levert een hoop stress op.’

Vele nachtelijke uurtjes
‘Het is een dik boek, ons boek over de Johannes Passie; 450 bladzijdes. Die moet je letter voor letter, woord voor woord, zin voor zin nalezen en corrigeren. Paul en ik deden dit tegelijkertijd; alle 450 bladzijdes. We kregen hiervoor ook maar weinig tijd van de uitgever, dus daar zijn heel wat uurtjes in gestoken.’

Niet onomstreden werkwijze
Ad geeft aan dat hij het ook een spannende tijd vindt: hoe wordt het boek ontvangen? Vinden mensen het mooi, of niet. Ad verklaart deze spanning door erop te wijzen dat zijn manier van werken niet onomstreden is. ‘Wij hebben gekeken naar de teksten van Bach (daar wordt nogal eens minzaam op neergekeken) met – als het ware – een spirituele bril op. Hoe zit de tekst in elkaar? Wat heeft Bach hier zelf mee bedoeld?’

Het gevoel ónder de teksten
‘Het gaat mij om de ervaring ónder de teksten. Wat heeft de tekst óns te zeggen? Wat betekent Bachs Johannes-Passion voor onze eigen levensweg? Als je daarover na wilt denken, dan heb je aan Bach een goeie.’

Herkenning
Wat Ad met het boek wil bereiken? ‘Ik hoor van mensen terug dat mijn boeken hen helpen. Ik ontvang ontroerende brieven en mails van mensen die zich herkennen in de ervaring, en die naar aanleiding van mijn boeken weer verder kunnen op hun eigen levenspad. Daar word ik wel een beetje verlegen van, maar dat vult me ook met een enorme gevoel van voldoening.’

Boekpresentatie Bachs onvoltooide passie 
Adveniat
geeft het boek uit, dat donderdag 27 februari wordt gepresenteerd in de kapel van het Berchmanianum in Nijmegen. Ad kijkt ernaar uit. ‘Er worden enkele fragmenten uit Bachs Johannes-Passion gezongen en de auteurs geven hierbij toelichting. Muziekjournalist Marjolijn Sengers zal een inleiding houden over het belang van dit boek en Leo Fijen verzorgt de presentatie. Het boek is ook verkrijgbaar na de presentatie. Naderhand is het boek te koop in de betere boekhandel en natuurlijk online.

Beluister ook het interview op Radio 1 dat Jurgen van den Berg had met Ad de Keyzer woensdagochtend tussen 6.00 – 7.00 uur: www.nporadio1.nl/gemist (fragment begint bij 51.31s).

 

Kijkje in de keuken van Rijcklof Hofman

Op het Titus Brandsma Instituut werken ruim 20 zeer bevlogen wetenschappers. We houden ons bezig met mystici (Geert Grote, Jan van het Kruis, Thomas van Kempen), mystieke tijdperken zoals de Moderne Devotie, of met Titus Brandsma zelf. We schrijven prachtige boeken, geven les en verzorgen symposia en leeskringen. 

Maar wat doen we nou precies? Graag geven we u een kijkje in de keuken en vertellen iedere twee weken wat één van de TBI collega’s nou precies aan het doen is. Rijcklof Hofman bijt ’t spits af:

Meer lezen

C van Crux

Matthias Grünewald, Isenheimer Alltar, 1516

Agape is de term voor het nieuwe, christelijke bestaan dat het oude, Joodse bestaan onder de Wet achter zich heeft gelaten. Zonde en dood zijn overwonnen en een geheel nieuwe, niet meer door eindigheid getekend bestaan staat op het punt realiteit te worden. De crux die dit alles mogelijk heeft gemaakt, is de kruisdood van Christus. Die staat voor de manier waarop God zelf – in het ‘offer van Zijn Zoon’ – onze zonde en onze sterfelijkheid op zich heeft genomen en er ons zodoende van heeft bevrijd.
Meer lezen