Home » Alfabet

Categorie: Alfabet

De F van Fatum

In de klassieke oudheid was het goddelijke een warrig meervoud. En van transcendentie was geen sprake. De Griekse Olympus was een aardse, al te aardse bergtop. De Romeinse goden hadden er niet eens een. Zij waren burgers onder de burgers, met dien verstande dat ze onsterfelijk waren. Ze woonden waar ook sterfelijken hun een tempel hadden gebouwd. Altijd handig als je het van verering en aangeboden offergaven moet hebben.

Onsterfelijken. Hoe komen stervelingen er eigenlijk bij zich met hen in te laten, hen te vrezen en te vereren? Omdat ze afkomstig zijn uit het domein voorbij de sterfelijkheid, een domein waar het onderscheid tussen leven of dood geen allesbepalend criterium meer is.

Het leven loopt uit op de dood. Waarom dan niet denken dat het ook ergens in of voorbij die dood zijn oorsprong heeft? Dit zou wel eens de gedachtesprong kunnen zijn die aan de basis van alle religies ligt.

Het leven is ons gegeven, ons toegeworpen vanuit een domein even ontoegankelijk als de dood. Hebben we het leven dan aan de dood te danken? In elk geval aan het feit dat die zich – althans tijdelijk– ophoudt achter een harde grenslijn. Misschien zijn het wel de onsterfelijken die daar de dood aan de grens tegenhouden. Tot ze die even loslaten om ons hier te komen halen. De goden geven, de goden nemen. Wij stervelingen weten het: het is ons lot.

De triompf van de dood, of De drie schikgodinnen, Wandtapijt, Vlaanderen, ca. 1510-1520

Noodlot. Fatum in het Latijn. Zo luidt de algemene term voor dat meervoudig goddelijke waarmee antieke stervelingen te maken hebben. In het domein van waaruit het leven wordt gegeven, heerst in hun ogen veelheid en (dus) wanorde. Geen eenheid, geen Ordo zoals christendom en filosofie ons heeft leren denken. Daarom was het voor de antieken zaak de goden die zich in dat domein ophielden, uitdrukkelijk om gunsten te smeken en om voorspoed te bidden. Maar het resultaat van dit bidden en smeken was nooit zeker. De figuur die dat aspect van de het antieke, heidens goddelijke in beeld brengt is die van de Drie Schikgodinnen, de Latijnse Parcae of Fata, de Griekse Moirai: de godinnen betrokken bij de draad van het leven die voor elk van ons wordt gesponnen. Het gaat om Klotho die de draad spint, Lachesis die er de maat van neemt, en Atropos die hem doorknipt.       

In zeker zin herhaalt de antieke Eros die figuur. Hij vertaalt het fatum in de grammatica van de amoureuze liefde. Het blinde van de jonge god rijmt met de onberekenbare veelheid van het goddelijke in het algemeen. En toch. Waar Eros geen religieuze cultus kent, geen altaren, geef offergaven, geen processies (als we tenminste Euripides mogen geloven, zie Hyppolytos v. 538-541), kennen de goden die uitdrukkelijk wel. Je kunt en moet hen eren, bidden en smeken. Maar zonder garantie. Dat laatste heet ‘noodlot’.

Dit wil niet zeggen dat de religieuze mensen in de Oudheid geen vertrouwen in hun goden en het door hen gesponnen noodlot zouden koesteren. Maar dat vertrouwen verschilt radicaal van het geloof dat de christenen hebben in hun ene God. Hun geloof veronderstelt de vernietiging van het antieke noodlot. Het christelijke geloof laat zich niet definiëren als een manier om met het onzekere en onberekenbare van het goddelijke om te gaan. Integendeel, dat geloof weet zich gegrond in een God die van de mens houdt met een liefde die voorbij de Eros gaat, een liefde die zonde, dood en elk ander menselijk tekort overwint. Geloof is wat de christen hoop geeft en doet leven in het rijk van de liefde. Denk aan het slot van Paulus beroemde liefdesode in zijn Eerste Brief aan de Korintiërs (13:13): “Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie; maar de liefde is de grootste.”  De christelijke God is niet die van het fatum. Daarvoor is Hij te betrouwbaar. Hij is, zo je wil, de betrouwbaarheid zelve.

Het eerste bad van Achiles (detail met de drie schikgodinnen), mosaïek uit de 5de eeuw, Pahhos Archeologische Park, Cyprus

Is dat zo? Want als het antwoord ja is, waarom zou er dan überhaupt een God zijn? Is God nog God als je op Hem kunt vertrouwen op de manier waarop je vertrouwen hebt in de lucht die je in- en uitademt? Die vraag geldt zeker een monotheïstisch opgevatte god. ‘Niet wie of wat je denkt dat God is, is God; alleen God is God’: zo luidt het paradigma van elke monotheïstische religie. 

Dit houdt in dat ook in het monotheïsme de harde grenslijn intact blijft die het rijk van het leven en dat van de dood van elkaar scheidt. Zelfs in het christelijke, ‘incarnationele’ monotheïsme, blijft God diegene die zich aan de andere kant van die lijn ophoudt. En zelfs als Hij mensen daar een nieuw leven belooft, een leven van liefde zonder zonde, zonder dood, dan is dat hier nooit meer dan een belofte. Christus zelf heeft dood en zonde overwonnen, en ons wordt beloofd Hem daarin te mogen volgen, zij het enkel na Zijn terugkeer van bij de Vader, na het Laatste oordeel.

Dit alles resulteert in het christelijke begrip van ‘Genade’. Dit is de belofte van een Eeuwig Leven, een leven dat helemaal is bevrijd van zonde en dood: een ‘hemel’ dat geen Griekse noch Romeinse god ooit kon beloven. En toch blijft ook de christelijke God een God: soeverein als Hij is, komt het Hem toe zijn schepselen het leven te geven dan wel te nemen. En omdat Hij, om te zijn wie Hij is, ons mensen niet nodig heeft (dit wil zeggen het gerust zonder onze offers, processies, gebeden et cetera kan stellen), kan Hij bij voorbaat, nog vóór iemand ook maar iets heeft uitgericht, nog vóór hij of zij maar zelfs geboren is, beslissen of hij of zij al dan niet het Eeuwig Leven zal binnengaan.    

Toegeschreven aan de Gebroeders Wierix, Geloof, hoop en liefde, 1558, British Museum

In christelijke termen heet dat ‘predestinatie’. In weerwil van de welgemeende en goed onderbouwde Blijde Boodschap die het christendom verkondigt, stelt de idee van predestinatie die van het antieke fatum alleen maar scherper aan de orde. In zekere zijn ‘monopoliseert’ de predestinatie het fatum. Hier is het noodlot van de mens in de handen van de ene en almachtige God en niet langer in die van een veelheid aan goden die voortdurend met elkaar in de clinch gaan. Hier kan ik niet langer op hoop van zegen de ene god tegen de andere uitspelen.

Wat is liefde, wanneer datgene wat haar in laatste instantie beheerst en bepaalt, ‘genade’ heet?

Een van de meest extreme antwoorden op die vraag, vind je bij François Fénelon. Die zeventiende-eeuwse autoriteit inzake mystiek beweert dat, zelfs wanneer Gods predestinatie je heeft veroordeeld tot eeuwig tandenknarsen in de hel, jij nog steeds van God kunt houden. Meer nog: slechts dan is je liefde voor Hem zuiver, dit wil zeggen gezuiverd van het minste zweem van eigenbelang. Voor Fénelon is deze pur amour het ultieme waarmerk van het christelijke geloof.

Herneemt het christelijke geloof in de pur amour niet het antieke fatum in haar meest extreme gestalte?

De E van Eros

‘Ultieme liefde komt neer op zelfopoffering’.

Op duizend en één manieren klinkt die definitie van liefde door de hele christelijke geschiedenis heen. Dit geldt zeker voor de mystieke traditie, van Gregorius van Nyssa tot Bernardus van Clairvaux, van Beatrijs van Nazareth tot Thérèse van Lisieux. Maar is die definitie exclusief christelijk? Vind je ook in ‘heidense’ tradities niet tal van voorbeelden van een zichzelf opofferende liefde? Denk maar aan Antigone. Zet ook zij niet willens en wetens haar leven op het spel uit liefde voor haar omgekomen broer?

 Toen Oedipus inzag hoe akelig trouw hij zijn misdadig noodlot had voltrokken, stak hij zich de ogen uit en vluchtte weg uit Thebe. Hij droeg de macht over aan zijn twee zonen. Die zouden om beurten Thebes troon waarnemen, het ene jaar Polynices, het andere Eteocles. Eteocles was het eerst aan de beurt, maar toen zijn regeringsjaar erop zat, weigerde hij plaats te maken voor zijn broer. Gesteund door zeven andere Griekse steden trok Polynices ten oorlog tegen zijn broer, en dus tegen zijn eigen stad. De ultieme slag loopt uit op een duel tussen de twee broers, waarbij elk van beiden de andere fataal treft. Kreon, Oedipus’ schoonbroer en nu nieuwe koning van Thebe, verbiedt ten strengste dat Polynices een begrafenis krijgt. Hij is tenslotte aartsvijand nummer één. Antigone legt dit verbod bewust naast zich neer en eert haar ‘slechte’ broer met een formeel begrafenisritueel, in het volle besef dat ze daarmee haar eigen doodsvonnis tekent. Wanneer Kreon dit verneemt, trekt hij inderdaad die conclusie.

Benjamin Constant, Antigone and Polynices, ca 1806

Jazeker, Antigone hield van haar broer, maar nergens in de bronnen die we van de Griekse mythologieën hebben, wordt expliciet vermeld dat het motief voor haar daad liefde zou zijn. Nergens valt het woord ‘eros’. Ook niet in de tragedie die Sophocles over haar schreef. In de grote schare commentatoren die zich over het stuk hebben gebogen (waaronder Hegel, Hölderlin, Schelling, Heidegger, Lacan, Žižek), is er niemand die ‘eros’ als motief voor Antigone’s daad naar voren schuift.

Maar dit betekent niet dat ‘eros’ onvermeld blijft in Sophocles’ tragedie. Een van de koorliederen (de gekende ‘stasimoi’) is geheel aan de god Eros gewijd (v. 781-9). Het is een van de vermaardste én intrigerendste hymnen aan de liefde uit de gehele oudheid. 

   

 

Liefde, geen strijd wint van je,
liefde, jij die neemt wat men bezit,
die slaapt op zachte meisjeswangen,
die zeeën en tuinen afschuimt,
geen god is veilig voor je,
geen aan zijn dagen gebonden mens.
Wie jou heeft, heeft razernij.

Jij jaagt het hart van wie goed is
richting kwaad en doet hem schande zaaien.
Ook deze bloedverwantentwist stak jij aan.
Hier wint zichtbaar het verlangen
dat danst in de ogen van een meisje in bed –
verlangen, dat bij de macht der hoge wetten
mee aan tafel zit. Ook zonder vechten
overwint de spot van de god, van Aphrodite

Op zijn manier vat het lied mooi samen hoe men in het antieke Griekenland tegen de liefde aankeek: een liefde die de mens in haar greep houdt en, wat ons akelig overkomt, het niet per se goed met ons voorheeft. Integendeel, eerder dan heilzaam, werkt liefde ruïnerend. Zij tast zelfs goden aan, en perverteert de besten onder de stervelingen.

Nikiforos Lytras, Antigone voor het lijk van Polynices, 1865

Liefde is Schoonheid, dat wel, maar dan losgemaakt uit de klassieke, filosofische trits die ze vormt met Goedheid en Waarheid. Sophocles’ hymne prijst de liefde als een onweerstaanbare schittering, maar wel een die kwetst en ontregelt, ook – en juist – in het genot dat ze met zich meebrengt.  En, een niet onbelangrijk detail: het is sterfelijken noch onsterfelijken gegeven om zich aan het genot van de liefde te onttrekken. Geraakt door een gouden pijl uit Eros’ koker, zal je genieten, ook wanneer je zeker weet dat het tragisch afloopt.

Toch is het merkwaardigste aan die hymne niet zozeer haar inhoud als wel haar plaats binnen de tragedie. Net vóór het koorlied staan Antigone en Kreon een laatste keer (zo zal blijken) lijnrecht tegenover elkaar. Aan het eind van die confrontatie velt Kreon ondubbelzinnig het doodsvonnis over zijn eigen nichtje: zij zal levend ingemetseld worden in een ruimte die haar graf zal worden. Kaarten van het plot liggen er nu zo bij dat alles zich alleen nog kan ontwikkelen in de richting van Antigone’s dood. En kijk, precies op dat moment doemt als uit het niets het koor op en verrast het publiek met een onverholen ode aan de liefde: Ἔρως ἀνίκατε μάχαν”, ‘Eros, geen strijd wint van je.’

Overwint de sophocleaanse liefde de dood? Dit zou een christelijke liefde in ieder geval wél doen. Precies op de plaats waar de liefde het rijk van de dood zou binnengaan, zou zij een kruis oprichten dat de dood betekent, niet van het leven, maar van de dood zelf. Voor die liefde reserveert het christendom de term ‘agape’. Op de plaats waar de dood zegeviert, laat Sophocles de liefde opkomen, maar zonder iets aan die zege te veranderen. Midden het knekelveld dat zich aankondigt, laat de antieke dichter ‘Eros’ schitteren, de liefde in de gedaante van een expliciet erotische schoonheid. Eros/liefde als onweerstaanbare schittering, als wat “slaapt op zachte meisjeswangen” – maar ook als wat voluit de dood zijn zege gunt.

Jean de Rotrou, Antigone (titelpagina), 1638

Eros overwint alles. Behalve de dood. Zoals hier neergezet, lijkt de dood iets waar pas de liefde ons in staat stelt naar te kijken. Alsof pas de liefde ons een blik gunt op het ondraaglijke dat de dood is. In Sophocles’ tragedie kijken we naar ‘liefde en dood’. Of, wat misschien op hetzelfde neerkomt: we kijken naar het menselijke verlangen – het verlangen neergezet als sterfelijk, als wat ultiem geen bevrediging kent. Verlangen in zijn tragische conditie. We kijken naar een ‘onvermogen tot voldoening’ als waarmerk voor alles wat menselijk is. ‘Dood’ is de figuur van de onmogelijkheid waarop het menselijke verlangen is georiënteerd. Het is aan Antigone’s schoonheid – en misschien wel aan de Schoonheid zonder meer – om ons dat te laten zien.

Op de titelpagina van Jean de Rotrou’s adaptatie van Sophocles’ Antigone (1638), zien we haar op het moment dat soldaten van Kreon haar op heterdaad betrappen. In de barokke setting van het tafereel lijkt het alsof ze zich aan hen presenteert als een erotische schoonheid. Dat contrasteert erg met wat zich op enige afstand achter haar afspeelt. Daar zien we hoe de Dood op het slagveld heeft huisgehouden, hoe hij haar beide broers heeft neergeslagen, en derhalve een einde heeft maakt aan het geslacht, ‘huis van Cadmus’, waarvan zij de laatste telg is.

De erotische glans van het Schone als scherm voor de Dood. Daarin kun je de functie van ‘schoonheid’ zien: een sluier die, met een helderheid een sluier eigen, ‘verbergt’ wat zich erachter ophoudt – en dat is formeel gezien niets anders dan het onmogelijke waarop ons verlangen is georiënteerd.

 

 

De D van Dood

 Draag mij als een zegel op uw hart,

als een zegel aan uw arm:

want sterk als de dood is de liefde,

met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk

sluit zij ieder ander buiten.

Haar vonken zijn bliksemschichten,

vlammen van Jahwe.

 

 

Het is een intrigerend, vaak geciteerd vers uit het Bijbelse Hooglied (8:6). ‘Sterk als de dood is de liefde.’ Jawel, je leest het goed: ‘Sterk als de dood.’ Je leest niet: ‘Sterker dan de dood.’ En toch is dit wat je wellicht spontaan, bijna mechanisch leest en denkt. Alsof het ongewild of onbewust in je denken gegrift staat dat de liefde sterker is dan de dood, en je het dus ook zo leest. Ook bij de meest Bijbelvasten onder ons is het vaak zo. En zo las men het ook al in vroegere tijden, tijden die vast op grotere Bijbelvastheid konden bogen dan de onze. De zeventiende eeuw heeft ons in deze een emblematisch te noemen voorbeeld nagelaten.

In 1720, in Amsterdam, gooit de genaamde Gerrit Bouman met succes een nieuwigheid op de markt: een ‘Print Bijbel’, een boekje vol verzen uit de Heilige Schrift, maar dan neergezet in de vorm van rebussen. De uitgave mikt op kinderen. Zich vermakend met half getekende, half geschreven raadsels krijgen ze de Bijbelse boodschap speels ingelepeld. Eén van de pagina’s stelt het vers 8:6 uit het Hooglied voor, althans het eerste gedeelte ervan.

De rebus is zonder meer correct. Ontcijferd leest men dat liefde (caritas, iconografisch steevast afgebeeld als een ‘moeder met kinderen’) ‘sterck als de’ dood is. Maar onderaan de pagina, in de geschreven versie van hetzelfde Bijbelvers, staat het er zoals wij het spontaan – maar dus ‘onbijbels’– geneigd zijn te lezen: ‘Set mij Heer als een zegel op uw arm en herte, / De liefde is sterker dan de doodt of ander smerte.’ De liefde is sterker dan de dood. Alsof men het toen nodig achtte de Bijbel ten goede te corrigeren, zo lijkt het wel. Of maakte men per ongeluk het foutje wat we vandaag de dag nog steeds maken?

 

Indien moderniteit – zoals Michel de Certeau en anderen beweren – het tijdperk is van het geloof in de grenzeloze mogelijkheden van de mens, dan is die foutieve lezing typisch modern te noemen. De mens wordt geacht in staat te zijn de menselijke conditie danig uit te dagen en bij momenten zelfs te overwinnen. Hij mag dan sterfelijk zijn, hij doet er alles aan om sterker te zijn dan de dodelijke krachten die hem bedreigen. En, nee, dit is geen ‘hubris’, geen overmoed, zoals de antieken het waarschuwend noemden. Voor de modernen is dit het waarmerk van ons mens-zijn. En dus ook de format van onze ‘liefde’. Liefde is sterker dan de dood.

‘Sterker dan’: die lezing is nog typischer voor een christelijke lectuur. Christenen geloven immers dat met het kruisdrama op Golgotha de menselijke sterfelijkheid is overwonnen. Christus’ liefde – exacter: Gods liefde die door Christus’ kruisdood sprak – verbrak voorgoed het zegel van de dood. Wat voordien het rijk van de sterfelijkheid was, werd herschapen in dat van het Eeuwig Leven. Althans in principe. Pas bij het nakende Einde der Tijden zal dit echt bewaarheid worden. Christenen zijn er dus, vanuit hun geloof en hun hoop, nog spontaner toe geneigd dit vers te lezen als achtte het de liefde in kracht nog sterker dan de dood.

Maar het blijft een feit dat de oorspronkelijke tekst iets helemaal anders zegt. Voor de Hebreeën van het eerste millennium vóór onze tijdrekening was er niet zoiets als een Eeuwig Leven. Gestorvenen leden een schimmig bestaan in de Sjeol, de Bijbelse versie van wat de antieke Grieken het rijk van Hades noemden. In Jahwe God geloven was voor de joden een zaak die uitsluitend het aardse, sterfelijke leven betrof. Wie zich nauwgezet aan de wetten van de Thora hield, werd daarvoor niet beloond in een of ander hiernamaals, maar in de concrete voorspoed hier en nu: een kroostrijk gezin, een vruchtbare veestapel, het genot van rijkdom en geluk in een leven gemarkeerd door festiviteiten en feesten die men deelde met anderen en met de hele gemeenschap. Denk maar aan de manier waarop Job, na de zware tijd van zijn beproeving, terug door Jahwe God met genade werd overstelpt: (in die volgorde) ‘veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen […] zeven zonen en drie dochters’ (Job 42: 12-13).

Marc Chagall, Hooglied, 1965

Wie vanuit dit perspectief tegen het leven aankijkt, beseft dat inderdaad niets sterker is dan de dood. In de dood ligt een donkere, ultieme macht besloten waar niemand aan voorbij kan. Behalve Jahwe God dan, want die deelt leven én dood uit. Die geeft het leven en neemt het ook. Dus ook de dood geeft Hij.  Aan ons dus om het gekregen leven in handen te nemen alvorens de dood het van ons overneemt. Als de dood zich met ons leven inlaat, kunnen we geen kant meer op. Zo sterk is hij.

En precies zo sterk is de liefde. Als die zich met ons bemoeit, kunnen wij haar niet stoppen, manipuleren of wegduwen. We hebben naar haar autoriteit te luisteren, gehoorzaam én brandend, devoot én vol passie. Onder het zegel van die autoriteit gaan mensen een band aan met elkaar, een band onder een zegel ‘sterk als de dood’. Als je haar verraadt, doodt de liefde je.

C van Crux

Matthias Grünewald, Isenheimer Alltar, 1516

Agape is de term voor het nieuwe, christelijke bestaan dat het oude, Joodse bestaan onder de Wet achter zich heeft gelaten. Zonde en dood zijn overwonnen en een geheel nieuwe, niet meer door eindigheid getekend bestaan staat op het punt realiteit te worden. De crux die dit alles mogelijk heeft gemaakt, is de kruisdood van Christus. Die staat voor de manier waarop God zelf – in het ‘offer van Zijn Zoon’ – onze zonde en onze sterfelijkheid op zich heeft genomen en er ons zodoende van heeft bevrijd.
Meer lezen

B van Blind

Annibale Carracci, Venus kastijdt Amor, vroege 17de eeuw

Is liefde blind?
In elk geval is Eros blind. Het zoontje van Aphrodite dat zo onbezonnen zijn pijlen op nietsvermoedende stervelingen richt, zien we doorgaans afgebeeld met een blinddoek voor de ogen geknoopt. De wonden die hij maakt brengen genot, ongetwijfeld, maar nooit zonder pijn. En de pijn overwint doorgaans. Badend in genot, werken de verliefden dan vakkundig naar een of andere tragische schipbreuk toe. Bij tijden kan zelfs de godin van Liefde en Schoonheid het niet meer aanzien, en geeft ze zoon Eros een heus standje:

‘Hoe durf je, precies met liefdesgenot, zo meedogenloos al die harten te breken, al die levens ten gronde te richten!’, horen we haar schreeuwen op een schilderij van Annibale Carracci.
Meer lezen

A van Amor en Agapé

Het eerste woord dat opdoemt als je over ‘liefde’ nadenkt is – hoe kan het ook anders – ‘liefde’. Maar besef dan wel dat je al meteen over twee dingen nadenkt. In dat ene woord schuilen immers twee soorten liefde, elk met een verschillende herkomst: de één christelijk, de ander antiek (of, minder sympathiek gezegd, ‘heidens’).
Meer lezen