Home » Blog » De D van Dood

De D van Dood

 Draag mij als een zegel op uw hart,

als een zegel aan uw arm:

want sterk als de dood is de liefde,

met de onverbiddelijkheid van het dodenrijk

sluit zij ieder ander buiten.

Haar vonken zijn bliksemschichten,

vlammen van Jahwe.

 

 

Het is een intrigerend, vaak geciteerd vers uit het Bijbelse Hooglied (8:6). ‘Sterk als de dood is de liefde.’ Jawel, je leest het goed: ‘Sterk als de dood.’ Je leest niet: ‘Sterker dan de dood.’ En toch is dit wat je wellicht spontaan, bijna mechanisch leest en denkt. Alsof het ongewild of onbewust in je denken gegrift staat dat de liefde sterker is dan de dood, en je het dus ook zo leest. Ook bij de meest Bijbelvasten onder ons is het vaak zo. En zo las men het ook al in vroegere tijden, tijden die vast op grotere Bijbelvastheid konden bogen dan de onze. De zeventiende eeuw heeft ons in deze een emblematisch te noemen voorbeeld nagelaten.

In 1720, in Amsterdam, gooit de genaamde Gerrit Bouman met succes een nieuwigheid op de markt: een ‘Print Bijbel’, een boekje vol verzen uit de Heilige Schrift, maar dan neergezet in de vorm van rebussen. De uitgave mikt op kinderen. Zich vermakend met half getekende, half geschreven raadsels krijgen ze de Bijbelse boodschap speels ingelepeld. Eén van de pagina’s stelt het vers 8:6 uit het Hooglied voor, althans het eerste gedeelte ervan.

De rebus is zonder meer correct. Ontcijferd leest men dat liefde (caritas, iconografisch steevast afgebeeld als een ‘moeder met kinderen’) ‘sterck als de’ dood is. Maar onderaan de pagina, in de geschreven versie van hetzelfde Bijbelvers, staat het er zoals wij het spontaan – maar dus ‘onbijbels’– geneigd zijn te lezen: ‘Set mij Heer als een zegel op uw arm en herte, / De liefde is sterker dan de doodt of ander smerte.’ De liefde is sterker dan de dood. Alsof men het toen nodig achtte de Bijbel ten goede te corrigeren, zo lijkt het wel. Of maakte men per ongeluk het foutje wat we vandaag de dag nog steeds maken?

 

Indien moderniteit – zoals Michel de Certeau en anderen beweren – het tijdperk is van het geloof in de grenzeloze mogelijkheden van de mens, dan is die foutieve lezing typisch modern te noemen. De mens wordt geacht in staat te zijn de menselijke conditie danig uit te dagen en bij momenten zelfs te overwinnen. Hij mag dan sterfelijk zijn, hij doet er alles aan om sterker te zijn dan de dodelijke krachten die hem bedreigen. En, nee, dit is geen ‘hubris’, geen overmoed, zoals de antieken het waarschuwend noemden. Voor de modernen is dit het waarmerk van ons mens-zijn. En dus ook de format van onze ‘liefde’. Liefde is sterker dan de dood.

‘Sterker dan’: die lezing is nog typischer voor een christelijke lectuur. Christenen geloven immers dat met het kruisdrama op Golgotha de menselijke sterfelijkheid is overwonnen. Christus’ liefde – exacter: Gods liefde die door Christus’ kruisdood sprak – verbrak voorgoed het zegel van de dood. Wat voordien het rijk van de sterfelijkheid was, werd herschapen in dat van het Eeuwig Leven. Althans in principe. Pas bij het nakende Einde der Tijden zal dit echt bewaarheid worden. Christenen zijn er dus, vanuit hun geloof en hun hoop, nog spontaner toe geneigd dit vers te lezen als achtte het de liefde in kracht nog sterker dan de dood.

Maar het blijft een feit dat de oorspronkelijke tekst iets helemaal anders zegt. Voor de Hebreeën van het eerste millennium vóór onze tijdrekening was er niet zoiets als een Eeuwig Leven. Gestorvenen leden een schimmig bestaan in de Sjeol, de Bijbelse versie van wat de antieke Grieken het rijk van Hades noemden. In Jahwe God geloven was voor de joden een zaak die uitsluitend het aardse, sterfelijke leven betrof. Wie zich nauwgezet aan de wetten van de Thora hield, werd daarvoor niet beloond in een of ander hiernamaals, maar in de concrete voorspoed hier en nu: een kroostrijk gezin, een vruchtbare veestapel, het genot van rijkdom en geluk in een leven gemarkeerd door festiviteiten en feesten die men deelde met anderen en met de hele gemeenschap. Denk maar aan de manier waarop Job, na de zware tijd van zijn beproeving, terug door Jahwe God met genade werd overstelpt: (in die volgorde) ‘veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen […] zeven zonen en drie dochters’ (Job 42: 12-13).

Marc Chagall, Hooglied, 1965

Wie vanuit dit perspectief tegen het leven aankijkt, beseft dat inderdaad niets sterker is dan de dood. In de dood ligt een donkere, ultieme macht besloten waar niemand aan voorbij kan. Behalve Jahwe God dan, want die deelt leven én dood uit. Die geeft het leven en neemt het ook. Dus ook de dood geeft Hij.  Aan ons dus om het gekregen leven in handen te nemen alvorens de dood het van ons overneemt. Als de dood zich met ons leven inlaat, kunnen we geen kant meer op. Zo sterk is hij.

En precies zo sterk is de liefde. Als die zich met ons bemoeit, kunnen wij haar niet stoppen, manipuleren of wegduwen. We hebben naar haar autoriteit te luisteren, gehoorzaam én brandend, devoot én vol passie. Onder het zegel van die autoriteit gaan mensen een band aan met elkaar, een band onder een zegel ‘sterk als de dood’. Als je haar verraadt, doodt de liefde je.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *