Home » Blog » De H van Haat

De H van Haat

‘Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.’

Lucas 14, 26

 

Jezus meent wat hij zegt. Lees er Matteüs 12: 46-50 op na:

‘Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken. Iemand kwam Hem nu zeggen: ‘Uw moeder en broeders staan daar buiten en willen U spreken.’ Maar hij antwoordde aan degene die hem dit kwam zeggen: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?’ En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: ‘Ziedaar mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader in de hemel.’’

Michiel Coxie, Maria’s familie, 1540, Stiftskirche Kermsmünster
‘Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jacobus en Jozef en Judas en Simon? Wonen zijn zusters hier niet bij ons’ (Marcus 6:3)

Wie ‘zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters […] niet haat, kan mijn leerling niet zijn’. Hoe is het mogelijk dat een religie die van de liefde haar centrale missie maakt, tegelijk de haat zo omarmt? En dat die haat juist hen betreft van wie we spontaan het meest houden: vader, moeder, broers, zussen – onze ‘elementaire verwantschappen’, om het met Claude Lévi-Strauss te zeggen?

Liefde als sociale, politiek en fysieke zaak
Vreemd is het zeker, maar binnen het christelijk narratief verre van onlogisch. Als basaal paradigma in het christendom, is liefde immers helemaal geen gezinsaangelegenheid, maar een sociale, politieke en strikt genomen zelfs ‘kosmisch-fysische’ zaak. Liefde, agape, is het alternatief voor de Wet, de Thora, het paradigma van het Oude Verbond. Liefde is het waarmerk van het Nieuwe Verbond dat, in tegenstelling tot de Wet, er wél in zal slagen de verbroken relatie met God te herstellen.

Dat is waar christelijke liefde over gaat
Omdat men daarin onder het Oude Verbond had gefaald, kwam God tussen beide en stuurde zijn eigen Zoon om de schuld op zich te nemen die door dat falen was veroorzaakt. Die verlossingsdaad kwam niet alleen het specifiek joodse Godsvolk ten goede, maar de hele mensheid en zelfs de fysische realiteit van het hele universum. Deze daad van liefde, voltrokken door de Vader in het offer van zijn eniggeboren Zoon, verloste de wereld van zonde en dood en veranderde die in een nieuwe schepping, een nieuwe kosmos, een nieuw, nu Eeuwig Leven. Leven in die van zonde en dood verloste schepping; een vrijheid inademen die de lasten van de Wet achter zich laat: dit is waar christelijke liefde over gaat.

De maat van de liefde
De maat van dit soort liefde laat zich niet uit het familieleven afleiden. Groter dan wat mensen tot een gezin smeedt, is er de goddelijke liefde die elk mens afzonderlijk verenigt met alle andere mensen samen en zodoende met het hele universum. Vandaar, niet onlogisch dus, het verbod om singuliere, intieme relaties als die tussen familieleden centraal te stellen. Als puntje bij paaltje komt, is het zaak die te ‘haten’. Liefde betreft ten diepste niet je zussen, broers, moeder of (zelfs) vader. Er is maar één Vader, heet het dan, en die is in de hemel en is de Vader van alles en allen.

God liefhebben is andere goden haten
Hierin is de christelijke liefde door en door monotheïstisch: ze betreft een waarheid die ‘uni’ is, die universeel is en het ‘singuliere’ per definitie uitsluit. Een ‘singuliere’ god is een valse, onbestaande god, aangezien er maar één God is, die om die reden van iedereen is. ‘Uitsluiting’ is inherent aan het monotheïsme: God liefhebben, is andere goden haten.

Houden van God, is haten wat en wie Hij haat

Manuscript van Hadewijchs Eerste gedicht, Ghent, UB, 941, f. 49r.

Merkwaardig toch hoe de haat infiltreert tot in de intiemste kamers van de christelijke liefde. En, hoe verrassend het ook mag klinken, ook tot in de meest mystieke liefdeskamers van deze traditie. In het Vijfde visioen van Hadewijch lezen we bijvoorbeeld (v.18-20):

‘Ik heb mijn hele wil afgestemd op jou, en ik heb lief en haat met jou zoals jij liefhebt en haat.

‘(Ic hebbe minen ghehelen wille noch met u, ende minne ende hate met u als ghi.)’

Of, even verderop in hetzelfde Visioen (v.52-56):

“Toen jij mij in je opnam en mij liet weten hoe je werkelijk bent, hoe je haat en bemint binnen één wezen, toen leerde ik volledig samen met jou haten en beminnen en volledig gelijk zijn aan je in alles wat er is.’

(Doe ghi mi selve in u selven naemt, ende daed mi weten hoeghedaen ghi sijt, ende haet ende mine in enen wesene, doe bleef mi bekent hoe ic al met u soude haten ende minnen ende in allen wesene sijn.)

Haten is wat Hadewijch niet kon
Haten, dit is wat Hadewijch niet kon, zo blijkt uit het visioen. En dit uit niets minder dan genereuze, belangenloze liefde. Want, zo schrijft ze:

‘ik wilde met louter liefde levende en dode mensen redden uit het dal van wanhoop, van zonde, en ik liet hun pijn lichter maken, doden uit de hel naar het vagevuur sturen, en levenden uit de hel in de hemel voeren.’

Overigens niet zonder succes, want ze dankt haar ‘heilige vriend’ dat Hij dat voor ‘vier van deze levende en dode mensen’ heeft gedaan. Maar ‘voorover op de grond gevallen en verscheurd van verdriet’, bekent ze dat dit smeken van haarzelf een ‘Lucifer’heeft gemaakt. ‘… alsof ik daar het recht toe had’, schreeuwt ze. Alsof het haar vergund was tussen beide te komen in het Oordeel Gods.

‘Ik erkende je volmaakte gerechtigheid nog niet. Daarom viel ik en werd Lucifer’. Dat zij omwille van haar eigengereide liefde voor de zondaren ‘zo in ongenade gevallen was bij de mensen’: ze ziet nu pas in dat dit een teken van God was en zij is die God nu dankbaar dat hij haar, ondanks die foute liefde van haar, toch nog welgevallig wil zijn. Waarna, zo eindigt het visioen, ze wordt weggerukt uit het aardse in een moment van pure extase: ‘Daar smolt ik in verrukking met Hem samen zoals ik dat eeuwig zal doen.’  

Mystiek verlangen
Hadewijchs mystieke verlangen wordt hier geconfronteerd met het oordelende aspect van haar Geliefde. Ze realiseert zich dat haar liefde een God betreft die goed van kwaad scheidt, juist van fout, zijn van schijn. Dat haar liefde dus ook houdt van die scheiding. Preciezer: dat het die scheiding zelf is die haar liefde ervoor mogelijk maakt.

Mystieke eenheid
De mystieke eenheid waar ze naar verlangt, is er een die haar verenigt met de scheidende kracht van de goddelijke waarheid. Maar, zo blijkt uit het visioen, juist het splijtende karakter van die kracht weerhoudt Hadewijch ervan om een met God te worden. Of, exacter, die scheiding maakt dat ze met Hem enkel in een visioen verenigd kan zijn, een visioen waarna ze terug in de depressie van haar godshunkering valt. Haar laatste zin luidt: ‘En ik kwam terug in mijn ellende met smartelijk verdriet.’

Het is een splijting in God die haar verlangen in stand houdt. Ze houdt van de goddelijke haat en blijft slechts dankzij die haat liefhebben en verlangen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *