Home » Blog » De I van IK

De I van IK

Liefde, erotische liefde, heeft onvermijdelijk iets egoïstisch. Ik hou van mijn liefste ook altijd ergens omdat ik houd van wie van mij houdt. Dit dekt niet de hele lading, verre van, maar hoe dan ook gaat het in mijn liefde op de één of andere manier altijd ook over ‘mij’.

Michelangelo Carravagio, Narcissus, 1598 Roma, Galleria Nazionale d’Arte Antica

Is dat zo? Natuurlijk draait liefde om mij. Maar wordt dat ‘ik’ van mij, dat ‘subject’ dat ik ben, niet hoogst problematisch precies als liefde in het spel is? En precies omdat liefde in het spel is? Ervaar ik niet juist in de liefde, zo niet de onmogelijkheid, dan op zijn minst toch mijn dreigend onvermogen om nog een subject te zijn. ‘Subject’, hier te verstaan in de etymologische zin van het woord (subiectum, hupokeimenon): grond, steun, drager – drager van wie ik ben – van hoe ik mij staande houd, van mijn identiteit?

Liefde, eros, is een verlangen, affectie of gevoel dat mij overvalt, mij achtervolgt, stalkt. Het overvalt me als iets dwingends dat mij de zeggenschap over mijzelf dreigt over te nemen. Liefde raakt mij, tot daar waar ik denk ‘ik’ te zijn, drager/subject te zijn van mijn leven, mijn verlangen, mijn genegenheid, mijn liefde en zelfs mijn zelfliefde.

Liefde is egoïstisch. Men zegt het doorgaans bij wijze van verwijt. Maar is liefde niet vooral egoïstisch om mij juist tegen de liefde in bescherming te nemen, tegen haar subversieve karakter, tegen haar neiging me van de zeggenschap over mezelf te beroven. Ze haalt het ‘zelf’ bij mij weg. Ze maakt de grond waarop ik zo stevig dacht te staan dermate week, dat die me niet meer lijkt te kunnen dragen. Ik verlies mijn draagvlag, mijn ‘subject’.

Salvador-Dali-Metamorfose-van-Narcissus-1937-London-Tate-Modern

Narcissus hield van zichzelf. Eindeloos veel. Zo gaat het verhaal. Maar ook fataal, dodelijk. Hield hij van zichzelf? Hij hield van wie hij in de spiegel zag. Hij hield van die ‘ander’ die hem vanuit het rimpelloze wateroppervlak aankeek. Naar hem staarde hij, op hem wachtte hij. Onbeweeglijk, eindeloos. Misschien was hij bang om zelfs maar te ademen, want bij elke zucht in de richting van die ander, kon die worden weggeveegd door een brekende waterspiegel.

En toch. Bevroren in zijn verlangen, wist Narcissus te schreeuwen, leert het verhaal. Hij slaagde erin te roepen om die ‘ander’. Helaas beantwoordde alleen Echo zijn kreten. En wel op haar manier: het arme meisje had geen eigen woorden, ze kon enkel herhalen wat ze hoorde. Narcissus schreeuwde om de ander die hij zag, maar kreeg niet die ander, maar zijn schreeuw terug. Hield Narcissus van zichzelf? Als dat zo is, dan laat het verhaal vooral zien hoe zoiets afloopt. Narcissus is van uitputting bezweken.

De liefste naar wie Narcissus roept, blijft zwijgen. Maar hij hoort wel, uit Echo’s mond, zijn roep terug. Misschien is dat wel het echte antwoord op zijn roep, het antwoord vanwege de liefde zelf. Echo is dan de belichaamde bereidheid om de vraag naar liefde te accepteren, een bereidheid die van zo’n onbaatzuchtige, zelfloze liefde getuigt dat ze diegene die haar de vraag stelt niets te bieden heeft behalve wat ze van hem gekregen heeft. Echo’s liefde kun je vergelijken met het wateroppervlak waar Narcissus naar staart: een ongestoord oppervlak dat niet hém weerspiegelt, maar zijn hunkerende vraag, zijn verlangen, zijn pure – want nooit beantwoorde – liefde.

Jean-Pierre Camus, La Caritée ou le pourtraict de la vraye charité. Histoire dévote tirée de la vie de S. Louis, 1641

Voor François de Fénelon, de beroemde Franse mystiek-theoreticus van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw, begint liefde – in zijn geval de liefde voor God – steevast egoïstisch. Je houdt van God in de eerste plaats om wat je van Hem krijgt of hoopt te krijgen. Dit is de normale, ‘erotische’ aard van de menselijke liefde. Maar ware liefde – en dit is de liefde God van je vraagt – vereist dat die geen spatje egoïsme, zelfs geen spatje ‘ik’ meer bevat. Pure liefde – pur amour – is zelfloos.

En wat, als je met absolute zekerheid zou weten dat God, almachtig als Hij is, jou heeft veroordeeld tot een eeuwige tandengeknars in de hel? Het is een onfatsoenlijke, onmogelijke veronderstelling, voegt Fénelon er meteen aan toe: zulke gedachte kan en mag een christen zich in feite niet veroorloven! Maar als je – “par impossible” – toch met zekerheid zou weten, voorbestemd te zijn voor de hel (wat trouwens, van Gods kant bezien, helemaal terecht zou zijn, want wat zou een sterfelijke zondaar als jij de genade die jou heeft geschapen überhaupt kunnen verwijten?), zelfs dan kun je nog steeds van God houden. Meer nog, aldus Fénelon, enkel dan heb je de mogelijkheid om zuiver van Hem te houden. Alleen dan houd je van Hem, zonder enige hoop op ‘return’ van Zijn kant. Alleen dan is er sprake van radicaal onbaatzuchtig zuivere liefde. Dit is het enige soort liefde dat het label van pur amour verdient.

Is Fénelons pur amour echt niet meer egoïstisch? Is zij zonder zelf? Gaat die liefde voorbij elke vorm van ‘zelf’ of ‘subject’? De facto is veeleer het tegendeel het geval. In de hel – en alleen in de hel – is er een ‘subject’ dat exclusief liefheeft omdat het helemaal zelf de beslissing heeft genomen lief te willen hebben. Ondanks alle retoriek over radicaal zelfverlies, ligt een verborgen cartesiaans zelf – en bijgevolg een sterk modern ‘ego’ – ten grondslag aan Fénelons pur amour. Onafhankelijk van God (er zelfs aan twijfelend of God wel de grenzeloze goedheid is voor wie men Hem houdt), beslis ik en ik alleen of ik al dan niet van die God houd.

Het is vreemd dat onder de oppervlakte van een onbaatzuchtige, zelfloze agape de sterkste bevestiging van het ‘ik’ verborgen ligt, terwijl de zogenaamde zelfzuchtige eros een ondermijnd, tragisch en onmogelijk ‘ik’ impliceert.

*

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *