Home » De Kesel zoekt dansend en lezend naar houvast

De Kesel zoekt dansend en lezend naar houvast

In zijn oratie op 19 mei zette Marc De Kesel ‘vrouwe Mystiek’ op het podium om er te dansen met twee andere ‘dames’, Theologie en Moderniteit. Bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap verscheen ook zijn nieuwe boek, waarin hij de drie-eenheid God, mystiek en het ‘ik’ uit de doeken doet. Of beter: ons uitnodigt dat zélf te doen. Door te lezen. En wie weet dat je in de door hem geselecteerde teksten iets dichter bij de moderniteit van je eigen ik komt.

Theologie, Mystiek en Moderniteit. Met deze oratietitel verzorgde Marc De Kesel op 19 mei de aftrap van zijn buitengewoon hoogleraarschap, ingesteld door de Faculteit Theologie, Filosofie en Religiewetenschappen. De nieuwe hoogleraar bracht in zijn oratie een podium tot leven, waarop het drietal dansend werd opgevoerd, met voor de mystiek de meest cruciale, maar ook meest precaire rol. De Kesel werpt de vraag op ‘of de twee andere dames, Theologie en Moderniteit, zonder haar wel aan dansen toe zouden komen’.

De Kesel schetst de lange geschiedenis van de theologie: vanaf haar ontstaan bij de Griekse filosofie tot aan haar hoogtepunt in de scholastiek van de christelijke middeleeuwen toen ze ons wereldbeeld helemaal domineerde. Met de komst van de moderniteit in de zeventiende eeuw verliest zij die positie. Wij, modernen, verhouden ons tot de werkelijkheid niet meer spontaan vanuit onze verbondenheid met God, maar vanuit ons eigen vrije ‘ik’. Ook als wij in God geloven, doen we dat omdat wij daarvoor kiezen.

Vat van paradoxen
In zijn oratie schetst De Kesel de problematische situatie waarin ons moderne ik zich onvermijdelijk bevindt. Ja, we zijn vrij om vanuit ons eigen ik te denken en de wereld aan onze vrijheid aan te passen. Maar waar vindt die vrijheid vaste grond? Zijn wij niet juist vrij ook van elke grond? En dus afgrondelijk vrij? De Kesel: ‘In de confrontatie met het grenzeloze van zijn kunnen krijgt het moderne subject de afgrond van zijn vrijheid in het gelaat geslingerd en wordt hij gedwongen de radicaliteit te begrijpen van wat vrijheid, en dus moderniteit, echt betekent.’

Hier brengt De Kesel de derde danspartner op het toneel, Vrouwe Mystiek. Die kan de stokkende dans tussen Moderniteit en Theologie weer zuurstof geven. Want in de wat terzijde geschoven God kan het moderne, grondeloze ik toch een vaste grond, ‘een verankering in het zijn’, vinden. Maar dit is even beloftevol als precair, aldus De Kesel, die opnieuw een paradox schetst: om het goddelijke te vinden, zal de ‘ik’ zich zichzelf voorbij moeten, zichzelf aan de kant moeten schuiven: ‘ontledigen’, ‘vernietigen’, zo lezen we in de mystieke teksten. De Kesel: ‘Heel diep in zichzelf kan de mens ervaren hoe hij meer is dan zichzelf, hoe hij één is met de grond van al wat is, want één met God.’ Alleen moet hij daarvoor het eigen zelf – zijn moderne vrije ik – opgeven.

Het gezwollen ikje
Hoe goed bedoeld ook, die vernietiging van het ik ten voordele van een eenheid met het goddelijke – met het Al, met het ‘Non-Duale’, of hoe je het ook noemt – fungeert vaak als een verkapte manier om de pretenties van dat vrije ik van ons alleen meer te versterken, want nu een stevige grond te geven. Het is een list waar alle mystieke teksten voor waarschuwen. Mystiek en spiritualiteit blijken in die zin akelig soepel inpasbaar ‘in onze moderne ik-geobsedeerde neoliberale cultuur’. In zijn oratie waarschuwt De Kesel – niet voor de eerste keer – op de vele spirituele en mystieke praktijken van vandaag de dag, die vaak alleen in theorie een tegenwicht bieden aan het gezwollen ik, ‘maar de facto alles in huis (hebben) om het zwellen van het moderne ik extra te voeden’.

In de mystieke traditie schuilt een uitgesponnen kritiek op de valse pretenties van het ik, ook waar dit ik beroep doet op God om de eigen afgrondelijkheid te verhelpen. Er schuilt, in De Kesels termen, heel wat ‘deconstructie van het ik’ in de vroegmoderne mystieke teksten. De Kesel ambieert dit ondergesneeuwde aspect van onze mystiek opnieuw de nodige aandacht te geven.   

Verwacht van De Kesel geen handleiding. Ook in zijn hoogleraarschap is hij geen leverancier van wijsheden, geen bron voor levenslessen, geen gids om ons door de kloof te leiden. Wat hij wél doet is ons uitnodigen tot lezen. Zijn oratie is slechts de opmaat naar het echte werk: zijn boek Ik God & mezelf, een selectie van zeven teksten, vijf ervan als deconstructie van het ‘ik’ aan de hand van mystieke teksten na de opkomst van de moderniteit in de zeventiende eeuw. Een leeservaring die nederig maakt en een boek om te koesteren, maar De Kesel is de laatste om je van succes te verzekeren. Want hij zegt het de mystici na: het volbrengen van de weg vergt oefening, heel veel oefening. 

Marc de Kesel. Ik, God & mezelf. Uitgeverij Sjibbolet Amsterdam.