Home » ‘De lichamen en hun lusten’ een perfecte kennismaking met het denken van Foucault

‘De lichamen en hun lusten’ een perfecte kennismaking met het denken van Foucault

‘Dit is een uiterst heldere uiteenzetting van het ideeëngoed van ­deze moeilijke filosoof, terwijl Westerink toch recht doet aan de complexiteit ervan. In die zin is het boek een perfecte kennismaking met het denken van Foucault.’

Sophie Messeman recenseert vandaag in de Trouw Herman Westerinks boek over hoe Foucault dacht over de geschiedenis van de sexualiteit. De ‘Geschiedenis van de seksualiteit’ van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) kan gezien worden als een mentaliteitsgeschiedenis in meerdere delen. Het eerste deel (‘De wil tot weten’) gaat over de achttiende eeuw. Toen ontstond in het Westen de overtuiging dat spreken over seksualiteit iets fundamenteels zegt over ‘wie de mens is’. Allerlei instituties en praktijken gingen zich met seksualiteit bezighouden. Aanvankelijk was het Foucaults bedoeling om na het eerste deel (‘De wil tot weten’) een boekdeel te publiceren over de negentiende eeuw, met het ontstaan van de scientia sexualis (wetenschap van het seksuele) en de psychoanalyse. Het liep anders.

In het oeuvre van Michel Foucault neemt zijn vierdelige ‘Geschiedenis van de seksualiteit’ een bijzondere plaats in. Hij werkte er de laatste tien jaar van zijn leven aan, gooide in die periode zijn aanvankelijke planning van het werk ondersteboven en zou het project uiteindelijk niet voltooien. Aanvankelijk wilde Foucault het discours over ‘de seksualiteit’ vanaf de 18e eeuw analyseren. Maar de vraag naar de wijze waarop subjecten zich tot hun ‘seksualiteit’ verhouden en deze ervaren, bracht Foucault ertoe de aandacht meer en meer te verschuiven naar een antieke en vroegchristelijke literatuur over lust en zelfvorming, vlees en verlangen, en het spreken van de waarheid.Gaandeweg onderzocht Foucault de omgang – door de jaren heen – van lichaam en lust. Sexualiteit werd steeds meer geproblematiseerd, raakte verbonden met een ‘verbiedende wet’. Wat in de oudheid nog niet zo was. Toen werd lust beschouwd als een ‘noodzakelijke behoefte’ die bevredigd moet worden, zij het met mate. Mensen moeten zich oefenen in het bedwingen van de lust.

Die morele houding veranderde met het christendom. Lust en begeerte werden nu beschouwd als ‘slechte krachten die huizen in het diepst van de ziel’. Foucault toont hoe deze verschuiving al in de late oudheid vorm kreeg bij de Stoa, die het libido al begon te problematiseren. Het echte hoogtepunt in de verschuiving van het denken over seksualiteit vindt Foucault bij Augustinus. Hij plaatste huwelijkse trouw in functie van de voortplanting centraal. Dat betekende meteen een enorme problematisering van de lust en leidde tot een ‘juridisering van het morele’. Er kwamen lijsten van geoorloofde en ongeoorloofde seksuele gedragingen, inclusief de mogelijkheid ongeoorloofd seksueel gedrag te bestraffen. Lees het hele interview in Trouw