Home » Blog » J van Jouissance (genieten)

J van Jouissance (genieten)

‘Rusteloos is mijn hart tot het rust in jou’.

Kijk toch hoe fel mijn hart tekeergaat. Waarom toch? Omdat jij het geen rust brengt. Omdat het verlangt, smacht, hunkert naar jou. Ach, zou jij er niet zijn, ik werd niet door onrust en verlangen verscheurd. En kijk hoe ik brand van verlangen, maar niet omdat ik dat zo leuk vind, maar omdat jij er bent en je dat verlangen van mij nog niet hebt geblust. Niet ik, maar jij bent het waarom en de grond van mijn verlangen. Jij alleen kunt die brand blussen, want jij alleen hebt die aangestoken.

Het zou een amoureuze ontboezeming kunnen zijn uit de mond van de eerste de beste hartstochtelijk verliefde ziel. Zeker. Maar ‘Rusteloos is mijn hart tot het rust in jou’ is ook de beroemde zinsnede uit één van de eerste regels in de Confessiones van Aurelius Augustinus: ‘Inquietum est cor meum donec requiscat in te’. Het is God die ons verlangen heeft aangestoken, en alleen God vermag dit verlangen te blussen. Het hele christelijke leven is een manier om vorm te geven aan dit verlangen.

Pas wanneer ons verlangen helemaal bevredigd zal worden, zullen wij ten volle bestaan
Wat zich in een banale amoureuze ontboezeming ontvouwt, krijgt bij Augustinus een oneindig groter gewicht. Ons bestaan – exacter onze houding tot dat of diegene die ons maakt tot wat we zijn – is er één van brandend verlangen. En pas wanneer dat verlangen helemaal bevredigd zal worden, zullen wij ten volle bestaan. Filosofisch uitgedrukt: pas dan zullen wij de volheid van het zijn hebben bereikt. Nu is ons ‘zijn’ nog door tekort getekend, daarom zijn we één en al onrust en verlangen. Maar, en dat is de crux van Augustinus’ zinsnede, dat verlangen is er slechts omdat datgene waarin het bevrediging vindt, er ook is. Het is altijd al verankerd in de zijnsvolheid waarnaar het streeft. Of, in Augustinus’ termen: het is altijd al verankerd in – want aangestoken door – God in wie de mens, voorbij alle tekort, de volheid van het zijn zal herwinnen.

Zowel de verliefde ziel van daarnet als Augustinus – en met hen de hele westerse traditie – denkt het verlangen vanuit de toestand waarin het zijn bevrediging zal vinden. Het verlangen ‘brandt’, is onrustig, omdat het nog niet is waar het naar waarheid hoort te zijn, omdat het nog niet ten volle kan genieten van wat in wezen reeds is. Onze westerse traditie kent een waaier van elkaar bekampende theorieën over het verlangen, maar dit formele basisschema hebben ze nagenoeg alle met elkaar gemeen. 

Onrust zonder meer
Misschien zijn Freud en Lacan wel de eersten die echt vanuit een ander basisschema tegen het verlangen aankijken. Ook voor hen is verlangen onrust, maar dan fundamenteel. Het is een onrust, maar niet omdat het nog niet op de kust van zijn rust, zijn voldoening, is aangekomen. Het menselijk verlangen is onrust zonder meer. Het leven valt in zijn fundament met die onrust samen, met een onvervuld en onvervulbaar verlangen. Als dat waar is, zou een verlangen dat helemaal vervuld en bevredigd was, niet de voltooiing maar de dood van de mens impliceren.

Genieten is heerlijk, maar het is verlies
Is volgens Freud en Lacan dan zoiets als een bevredigd verlangen überhaupt nog mogelijk? Toch wel, zij het dat die bevrediging niet langer kan worden gedacht naar het klassieke schema dat twee millennia heeft standgehouden. Lacan heeft er daarom een nieuw concept voor gesmeed: jouissance, te vertalen als genieten.

In tegenstelling tot de klassieke, nog steeds gangbare manier van denken, gehoorzaamt een bevrediging van het verlangen – jouissance – niet aan het principe van winst maar aan dat van verlies. Genietend van het ultieme object van verlangen, eigent het subject zich dat object niet toe: het wint het niet, het verliest zichzelf daarin. Genieten wordt hier dus niet als toe-eigening maar als verlies – inclusief zelfverlies – gedacht. Ook niet als een verlies dat als puntje bij paaltje komt, toch winst oplevert. Dus ook niet het verlies van je ijdele zelf om zodoende toegang te krijgen tot je echte wezen dat bij een grotere Waarheid of bij God ligt. Genot is heerlijk, maar je wint er niets bij: het is verlies, zelfverlies.

Let wel, genot is geen reëel verlies, ik ga in het genot niet dood. Ik beleef het bij momenten wel alsof ik sterf van genot, maar die dood en dit verlies blijven imaginair. Genot/jouissance niet een verlies van mijn reële bestaan, maar van de grip die ik op mijn leven heb – een verlies waarbij ik even helemaal vergeet de eigenaar, de drager, het subject te zijn van mijzelf, mijn identiteit, mijn leven.

De kleine dood
Jouissance
/genieten heeft de structuur van wat de Franse erotische cultuur ‘la petite mort’, ‘de kleine dood’ genoemd heeft. Het is de ervaring van een volkomen bevredigd verlangen, met dien verstande dat het bevredigde subject beseft bij die ervaring niet bewust aanwezig te zijn geweest. Jouissance sluit de bewuste aanwezigheid van het bevredigde subject uit. Ik kan ernaar verlangen, ik kan er heimwee naar hebben, maar het moment suprême laat niet toe dat ik er echt bij ben. Het is in die zin dat het subject zich, in een ervaring van jouissance, per definitie ‘verliest’. Jouissance heeft, zo je wil, de structuur van een potlatch, waarin van alles waarvan genoten wordt, tegelijk wordt vernietigd en waar zaken als bezit en eigenaarschap onderuitgehaald worden.

Staat liefde jouissance toe? Uiteraard. Maar de jouissance staat niet voor de ultieme ervaring van eenheid waarnaar de geliefden hunkeren. Het genot van de liefde is in feite ‘verlies’, een verlies dat alles loslaat, zelfs het eigen ik; een verlies waarbij de geliefden zichzelf verliezen, maar niet in elkaar en evenmin in hun wederzijdse liefde. Het is een radicaal verlies waarin de geliefden – gelukkig slechts voor even en slechts imaginair – zo je wil zelfs de liefde verliezen.

DiegoVelázquez, Christ on the Cross, 1632

‘Laat me de schaduw van je schaduw worden’
Dit is de reden waarom zelfgave en zelfoffer, zelfverlies dus, inherent zijn aan de liefde. De bevrediging die het verlangen naar liefde nastreeft, impliceert het opofferen van het verlangende subject. ‘Laisse moi devenir l’ombre de ton ombre’ (‘Laat me de schaduw van je schaduw worden’), zingt Jacques Brel in Ne me quitte pas. ‘Verlaat me niet’, zingt de dichter, en vraagt daarom zijn liefste toestemming om als schaduw in haar schaduw te verdwijnen. Dat verdwijnen is niet de uitdrukking van de pijn en het falen van de minnaar, maar van jouissance. Hij wil niets méér zijn als die wezenloze schaduw.

Heeft Brels verzuchting niet iets weg van Augustinus’ ‘mijn hart is onrustig tot het rust heeft in jou’? Alleen wordt de ‘jou’ in het lied van Brel niet gedefinieerd als een God waarin de minnaar zijn volheid aan ‘zijn’ hervindt, maar als ‘een schaduw’ waarin hijzelf op zijn beurt als schaduw verdwijnt. Zijn verlangen gaat uit naar een toestand waar hij ‘minder dan niets’ is: een mogelijke term voor het radicale verlies – voor het jouissance – waar liefde (onbewust) naar streeft.

 

 

P.P Rubens, Elevation of the Cross, 1617

Christelijke kunst
We kijken er normaal gezien overheen, maar zelfs de christelijke kunst is hierin allesbehalve onduidelijk. Het domein van het goddelijke waarnaar de christelijke ziel verlangt, wordt verondersteld hemels te zijn, en toch wordt dat domein iconografisch overwegend afgebeeld als een veld vol pijn, dood en verlies. Een mens die op verdwijnen staat, een stervende aan het kruis, gelovigen op het punt aan de marteldood te bezwijken: deze beelden geven de ultieme oriëntatie aan van het christelijke verlangen.

Voor Lacan is het idee van de verrijzenis slechts een sluier om het ‘niets’ dat erachter schuilt te verbergen – het ‘niets’, dit wil zeggen het radicale verlies waar het menselijke verlangen ultiem op uit is. Het is een sluier die het domein van de jouissance verbergt.

 

 

Rubens Kruisafneming
Van Peter Paul Rubens’ schilderij ‘De Kruisafneming’ in de kathedraal van Antwerpen is in de laat zeventiende eeuw een anamorfose gemaakt. Het geschilderde vlak dat nu horizontaal ligt, toont op het eerste gezicht een chaos van kleuren en lijnen, maar vanuit een specifiek oogpunt bekeken, laat de cilindervormige spiegel die in het midden van de beschilderde ‘tafel’ is geplaatst, de gekruisigde Christus van Rubens ‘schilderij zien.

     

Dominico Piola, Anamorfose van Rubens’ Kuisafneming, midden 17de eeuw, Rouan, Musée des beaux arts

Voor Lacan legt deze anamorfose de onbewuste structuur van de christelijke liefde bloot – en van het verlangen in het algemeen. Als je de anamorfose zonder cylinderspiegel in het midden bekijkt, zie je de chaos van de wereld waarin het verlangen zijn ultieme object zoekt.

Plaats je een cilinderspiegel in het centrum van het vlak en kijk je vanuit het juiste punt, merk je dat dit object zich op een plek bevindt waar we gelukkig blind voor kunnen blijven, omdat die afgedekt wordt door het weerspiegelde beeld. Het ultieme object van het verlangen ligt in het gat achter de spiegel in het midden van de beschilderde tafel; het beeld van de Gekruisigde houdt de blik van het verlangen georiënteerd in de richting van dit object, maar belet tegelijk die blik door te kunnen dringen tot het ultieme object van verlangen. Zou het verlangen reëel bezitnemen van dit object, zou het met andere woorden er reëel van genieten, dan zou het ophouden subject (van verlangen) te zijn, ophouden te bestaan dus.
> Lees ook de andere letters van het Alfabet van de liefde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *